Categorieën
Verhalen van de berg

Mijn wow-leven

Van Azie via tehuis de Flesseman en dan een nacht met vliegtuig en bussen naar Spanje. Ik doe een wereldreis in 70 dagen. Misschien komt het daardoor dat ik me nu nog steeds op reis voel, ook al ben ik dan eindelijk weer thuis.

Hoe kan het dat Montefrio zo helemaal niet is veranderd? Dat de slome slagerinnen nog precies hetzelfde nergens toe leidende gesprek voeren over worstmaken terwijl ze je gehakt draaien, lang-zaam, laaaaaangzaam. Dat heel Montefrio nog steeds ruikt naar ouderwetse schoonmaakmiddelen, versgebakken brood en oude mensen. Dat er, nu ik erop let ook nog steeds precies evenveel oude mensen zijn op de straten, wiebelig en al.Dat de zon nog steeds even heet en verdorrend schijnt waardoor je naar binnen vlucht, en buiten alles tot stilstand komt. Of hooguit een paar meisjes in het zwembad met hun vriendinnen en Ilco die milkshakes maakt in de meest exotische combinaties (avocadoshake, ontdekt in Indonesie).

Zomersloom

En natuurlijk zitten er gasten op de patio, alsof ook dat al die tijd gewoon door is blijven gaan. Een frisse jongen deze keer die het boek ‘How to live wow’  heeft geschreven en die nu met Ilco praat over tv-uitzendingen van MasterPeace en hoeveel hasjhonden je nodig hebt voor hoeveel prullenbakken bij zo- en zoveel publiek (zoiets, ik vang af en toe flarden op en die verwaaien dan weer in mijn hoofd). ‘Dit is pas leven,’  zucht de jongen. En zijn asistente duikt nog maar eens het zwembad in.
Ja, denk ik, het is absoluut een wowerig leven. Zo’n patio in Spanje, waar alles buiten gebeurt: eten, besprekingen, hangmat, wijn. De ruimte en de zwoele avonden als het eindelijk een beetje afkoelt. Geen lelijke gebouwen, geen drukke stad en geen stress. Alleen maar die slagerinnen, je familie en heel erg veel zomerslome siesta. En vandaag alweer een stralend kinderpartijtje in de zon. Is dat niet heel zacht thuiskomen na je zoveelste grote reis?
Maar mijn moeder laat zich niet wegdenken. En ik mis de kleuren van Indonesie zo: oerwoudgroen, onderwaterblauw, baligoud, hybiscusrood… Terwijl ik zwijmelend door Ilco’s prachtige foto’s blader, laat ik de appeltaart voor het partijtje verbranden. Pikzwart is ie ineens. En dat gebeurt me echt zelden.

Categorieën
Verhalen van de berg

De eindeloze zee

Coca Cola, mobiele telefoons en gegrilde kip. De muziek van de film Titanic en Harry Potter. Dat zijn dingen die ik op al mijn reizen tegenkom. Zelfs diep in de jungle of bij animisische dorpjes.

In Indonesie viel het trouwens wel mee met Harry. Daar heerst Twilight, de lekkere vampier-chicklit, en ook De Hongerspelen. Disney zie je ook wel vaak maar bijna nooit kinderboeken van daar. Zo jammer!
Vorig jaar stond ik voor een raar dilemma. Ik was uitgenodigd om over mijn boeken te komen vertellen op scholen in Rwanda. Rwanda! Nog niet lang geleden een gruwelijke genocide achter de rug, armoede alom, amper geld voor scholen. Laat staan boeken. Laat staan mijn eigen boeken want die zijn niet vertaald in het Frans of het Engels. Toch zei ik ja. Waarom eigenlijk? Misselijk van de zenuwen stapte ik in het vliegtuig. Wat moest ik in vredesnaam zeggen tegen die kinderen? Was dit geen idioot staaltje van neokolonialisme?

Juf Mieke

Maar hoog boven dacht ik ineens aan mijn eigen juf. Mieke. Ze gaf Nederlands en in mijn herinnering was ze eigenlijk alleen maar aan het voorlezen. Ik zat op een rare school waar op zaterdag les was. Maar dat was altijd heerlijk want op zaterdag hadden we een dubbeluur Nederlands. We haalden warme stroopwafels van de markt en Mieke begon. Van Kees de Jongen tot Osewoudt en Saidjah en Adinda, of zelfs het dode ‘Constantijntje salig kijndje’ – door de bulderende en dan weer openlijk ontroerde stem van Mieke werden ze vrienden voor het leven.
Later liet Mieke ons zelf schrijven en de manier waarop ze me aanmoedigde, heeft er zeker toe bijgedragen dat ik het velen jaren later aandurfde om zelf echte boeken te gaan schrijven.
Met juf Mieke in mijn achterhoofd stort ik me in de Rwandese scholen, met als enige wapen mijn liefde voor verhalen en verbeeldingskracht. Ik lees voor, ik vertel, ik laat de kinderen zelf schrijven met fouten en al. En precies hetzelfde doe ik bij de leraren.
En het werkt! Stralende ogen, gegiechel, zelfs tranen als ze mompelend hun eigen verhaal voorlezen. Natuurlijk, als de kinderen verder willen lezen, is de bibliotheek beperkt en hapert soms de geschreven taal. Maar toch, er is een begin. En zoals Antoine de Saint Exupery zo mooi zegt: ‘Wanneer je een schip wilt bouwen, roep dan geen mannen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. Maar leer ze te verlangen naar de eindeloze zee.’

Gruwelijk plan

Mijn triomf komt als op een officiele lerarenavond een verdwaalde Nederlandse dame opstaat met een gruwelijk plan: van een aantal klassiekers uit de wereldliteratuur wil ze ‘adaptaties’  maken in het Rwandees.
Gelukkig springt er meteen een jonge, bevlogen leraar op. ‘ Denk jij dat wij niet begrijpen hoe andere maatschappijen in elkaar zitten? Dat we dat niet zien op tv of op internet? De verhalen daarvan willen we gewoon kunnen lezen zoals ze geschreven zijn.’
‘En er dan vervolgens onze eigen verhalen aan toevoegen,’  zegt een andere leraar nog.
Aan hem moet ik denken als ik door de spaarzame boekwinkels van Indonesie dwaal. Het is allemaal een kwestie van tijd. De verhalen zijn er al, dat weet ik zeker. Ze hoeven alleen nog maar te worden opgeschreven.

Vandaag verschenen als column op Leesplein:
http://www.leesplein.nl/LL_plein.php?hm=1&sm=2&id=100

Categorieën
Verhalen van de berg

Onder het genot van een stukje heerlijke vlaai

Hoe goed ken je je moeder eigenlijk? Wat weet je van haar, van wie ze echt is? En wil je dat wel weten?

Dat je liefdesbrieven van haar vindt, van je eigen moeder dus, enorm lyrisch van toon en van helemaal niet zo lang geleden.
Of dat ze zo ontzettend geliefd is in haar eigen buurt, ‘iconisch’  zegt een weee nicht (zelf ook tamelijk iconisch). ‘Ben jij haar dochter?’ Iedereen spreekt je aan, elke marktkoopman, iedere voorbijganger, man, vrouw, jong , oud.  Ze zijn zo vol van haar. ‘Zo’n lieve vrouw’. ‘Zo’n warme persoonlijkheid.’ ‘Zo’n deel van het straatbeeld’.  Maar ook: ‘Zo eenzaam.’  ‘Zo verward.’
Wie is mijn moeder?

Tompoucen

In ieder geval niet iemand die oud is – dat vindt ze zelf tenminste. Het tehuis is namelijk eigenlijk ‘voor andere mensen, van die bejaarden’. De bewoners in de eetzaal vindt ze stuk voor stuk vervelend en ze wil niet naar de bingo. En ook niet naar de middag ‘samen fijne muziek van Andre Rieu luisteren onder het genot van een stukje heerlijke vlaai.’
Geef haar eens ongelijk.
Maar ja, wat moet ze dan? Wat moet ze DOEN met al haar dagen? Ja, met mij in de Hema tompoucen eten, en nog een, en nog een, dat wil ze wel. En ondertussen maar mopperen dat ‘die oude mensen in het tehuis altijd zo onvoorstelbaar veel eten.’

Bloedhoge hakken

Ik heb op de eerste dag dat ik hier was al nieuwe schoenen gekocht. Van die fel turquooizen met bloedhoge hakken, een decadente ode aan het leven. Die dragen mij de dagen door. Mijn moeder vindt ze ook geweldig.

Categorieën
Verhalen van de berg

Kristal

Dat alles altijd maar weer voorbijgaat. Vakanties. Huizen. Levens. Daar kan ik soms zo moedeloos van worden.

Zo zit je nog maanden en maanden je te verheugen op een reis, en zo sta je alweer je familie uit te zwaaien omdat die reis is afgelopen. Het is om te huilen, en dat doe ik dan ook, in mijn eentje in het vliegtuig naar Nederland.
En daar tref ik mijn moeder in het tehuis en het is alsof ze nooit ergens anders heeft gewoond dan hier, omringd door enorm lieve mensen  – die ook al doen alsof ze haar al tig jaar kennen.

Rijk gevulde tafels

Maar ze kennen haar helemaal niet! Zij denken dat deze warrelige dame met haar stok die nog niet eens voor zichzelf een fatsoenlijk eitje kan bakken (en dat ook helemaal niet wil) mijn moeder is. Wat weten ze ervan? Van de vrouw die beroemd was om haar high teas en haar rijk gevulde eettafels. Die kalkoenen vulde met kerstmis  en met sinterklaas speculaas bakte voor de hele buurt. Bakplaten vol. Trommelkoeken en kipsalade en knoflookaardappeltjes uit de oven in een tijd dat niemand nog iets anders met een aardappel deed dan koken. Mijn moeders tafels vol met eten waren beroemd. Nog steeds kom ik af en toe vrienden van vroeger tegen die daarover beginnen.

Hondenbrokken

Mijn zus en ik ruimen op in wat nu al niet meer voelt als mijn moeders huis. We doen vreemde vondsten. Honderden pakjes papieren zakdoekjes. Dertig doosjes paperclips. Overal verstophoekjes voor zakken chocoladerozijntjes. En hondenbrokken, trommels vol (mijn moeder had geen hond, maar vond het leuk om voorbijgangers aan te schieten: ‘Wat een lieve hond, mag hij een hondenbrokje?’) En de keuken. Wat   moeten we met al die puddingvormen, kommen en houten lepels? ‘Is dit nou spuuglelijk of juist heel duur geslepen kristal?’  vraag ik hardop bij een paar schalen en een soort enorme stopfles die ons hevig aan vroeger doen denken (alleen waren ze dan altijd gevuld met heerlijke dingen). ‘Allebei waarschijnlijk,’  zegt mijn zus. Geen van ons beiden wil deze spullen. Meenemen naar Spanje is duur en ingewikkeld en mijn zus woont in een zen-achtig huis dat ze bewust zo leeg mogelijk houdt (ze heeft zelfs al haar boeken weggedaan). Daar past dat opzichtige kristal al helemaal niet.

Hardhandig

De hele middag stoppen we spullen in de vele dozen die naar de opkoper gaan. En de hele middag staan de kristallen schalen onaangeroerd op het aanrecht. Pas als mijn zus weg is prop ik ze snel en bijna hardhandig in een doos. Weg ermee!
Maar ze is nog geen uurtje weg of mijn zus stuurt al een berichtje: die kristallen spulletjes doen haar toch teveel denken aan… en of ik ze weer voor haar uit wil pakken… of heb ik ze misschien toch zelf…?
Mijn zus kent me heel goed. En ze is gelukkig al net zo sentimenteel als ik.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Spiegelwereld

Onder water is alles makkelijk. Zo traag en gedempt met allemaal kleuren in het blauw en heel veel meer sterren op de grond dan in de lucht erboven.

Een week lang duiken op een duikeiland. Elke dag denk ik: vandaag ga ik het hele eiland rondlopen, of dwars door het tropische bos in het midden. En elke dag kom ik niet verder dan de zee en de weelderige bougainvilla-tuin van het vriendelijke hotelletje waar het water uit de douche ook al zout is.
Bloem en Chaia zitten hard te studeren want zij halen deze week hun duikdiploma, heel stoer. Ilco duikt naar een scheepswrak op veertig meter diepte, ook al zo stoer, maar ik doe niks. Ja, heen en weer lopen tussen die zee en die tuin. En kijken naar de vissen die allemaal namen van een ander dier hebben: frogfish, papegaaivis, schorpioenvis, zebravis. Onder water is een spiegelwereld zonder haast waar de sterren blauw en oranje zijn.

Schwab

Alleen mijn dromen kan ik niet stopzetten. De ene nacht zwerf ik met mijn moeder tussen de verhuisdozen van haar leven, koortsachtig zoekend naar de ingang van haar nieuwe kamertje in het tehuis. De volgende dag zit ik met de engste recensent van Nederland in een restaurant en voer hem mijn nieuwe boek, hapje voor hapje (het lijkt een beetje op een toneel stuk van Werner Schwab).
Wacht nou nog even, zeg tegen mijn dromen, ik ben nu nog hier. Maar ik merk hoe de volgende week in mijn agenda alweer volloopt met dingen die ik moet doen en zeker niet vergeten. Het wordt nog zwaar om afscheid te nemen als mijn familie teruggaat naar Spanje en ik doorvlieg naar mijn moeder, eindelijk. Er is daar in Amsterdam een huis op te ruimen (‘Voor jou hebben we de berging overgelaten,’  mailt mijn zus monter. Ik kom er niet helemaal achter of dat een gunst is of een straf. ) En er ligt een drukpoef klaar bij de uitgever om nog een allerlaatste keer heel goed naar te kijken. ‘Neem cadeautjes mee voor Dunya’s verjaardag en slingers van de Hema,’  instrueren haar zussen, ‘en Nederlandse tandpasta en kaas.’  Ik schrijf alles op en loop dan snel weer naar de zee. Nu nog niet!

Ontduiken

Terwijl ik met Dunya al snorkelend op zoek ga naar de zeldzame frogfish denk ik: ik ontduik het leven, of in ieder geval de harde kantjes ervan. Is dat niet stiekem waarom ik eigenlijk altijd door wil blijven reizen? Na Indonesie door naar de Filippijnen en dan misschien wel naar India of China – daar heb ik ineens enorm veel zin in. Overal komen we reizende families tegen, eentje reist al twaalf jaar. ‘Maar dan wel weer met een Landrover,’  zegt Ilco. Ook goed.
Indonesie heb ik inmiddels redelijk goed leren kennen. Van de zingende hippies met hun gitaren en de schildpadonderzoekers op Sumatra tot de orangoetangs in de jungle en de doden in Toraya. En waarover ik niet schreef: Hadewych de paardenfluisteraar in  Java, het laatste geheime strand van Bali en het allerlekkerste eten van de stalletjes langs elke drukke straat. Wat zal ik dat eten missen in Spanje, waar je zelfs geen sambal kunt kopen. Misschien moeten we nog gauw een fles kopen en meenemen in het vliegtuig? Hoe doe ik het trouwens met kleren? Al mijn jurkjes zijn zout en zomers, hoe is het weer in Nederland nu? En wat te doen met mijn haar, zo dood en zo rood…?
‘Kijk mama, daar is ie, de frogfish!’ roept Dunya.
Nee, nu hoeven ze nog heel even niet, al die regeldingen. Want daar is de frogfish en hij is niet groen en ook niet bruin. Hij is knalgeel en hij lijkt op een stuk krupuk.

Alle foto’s  (deze en nog veel meer) van Ilco staan hier:
http://www.flickr.com/photos/12966304@N00/sets/72157631279713812/

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Second paradise

Een aanval op al je zintuigen tegelijk. Zo noemde iemand het en dat is behoorlijk goed getroffen. Dit is absoluut een van mijn meest heftige reiservaringen. Ooit.

Toraja. Zo heet het volk en het gebied in het midden van Sulawesi. Glooiende rijstvelden tussen de varens, de palmbomen en het wuivend bamboe, steile rotsen, tintelende riviertjes en overal prachtig bewerkte houten huisjes met gigantische sierdaken in de vorm van buffelhoorns. En graven. Want de Toraja zijn trots op de dood. De overledenen worden niet weggestopt onder de grond maar gebalsemd en bijgezet in mooie huizen, in grotten, en in uitgehakte gaten in rotsen die er met al die raampjes uitzien als flats. Dodenflats. De hele familie gezellig bij elkaar. Ook de baby’s, die honderd jaar geleden nog door hun moeders in een enorme magische boom werden gelegd. Je ziet nog steeds de gaten, die bedekt zijn met palmbladeren.
Nu ben ik zelf behoorlijk bang voor de dood dus het leek me een goed soort uitdaging om hier te komen. De dood die bij het leven hoort, die misschien juist heel mooi is. Me onder te dompelen in die ervaring zal me misschien wel verzoenen met mijn grootste angsten. Een transformatie in Toraja!

Romeo en Julia

En ja, de dood heb ik gezien. Bijvoorbeeld in de begrafenisgrotten waar je je kruipend een weg moet banen langs botten en lijken die letterlijk hun kist komen uitrollen. ‘Kijk, die heeft nog een mutsje op,’  griezelen mijn dochters. ‘En die daar heeft als offer een enorme berg sigaretten meegekregen. Goede antirook-reclame.’
Er liggen zelfs een tot stof vergane Romeo en Julia.: twee geliefden die zelfmoord heben gepleegd omdat hun liefde verdoemd was (ze waren neef en nicht). Hun schedels liggen nu dicht tegen elkaar aan, omgeven door verlepte bloemen.

Magie

Maar de grote schok komt als we een echte begrafenis bezoeken. De vrouw die is overleden was rijk en geliefd, dus uit het hele land zijn er verre verwanten voor haar overgekomen. Duizenden mensen in een speciaal hiervoor opgericht begrafenisdorp. Nadat de vrouw eerst een jaar (!) bij haar familie thuis heeft gelegen, is nu het grote afscheid voordat ze in het familiegraf wordt bijgeplaatst.
We worden warm ontvangen in een van de huisjes waar zoete koffie en speciaal traditioneel eten is en hebben het enorm naar ons zin. Vanuit een soort terras bekijken we de enorme stroom mensen die langstrekt op weg naar de dode. Schitterende traditionele jurken en pakken, bedekt met lovertjes. Vrouwen opgemaakt als geishas. Een soort springende nar met een schild die hooggeplaatste gasten naar de familie leidt. Er wordt muziek gemaakt en gedanst. Hypnotiserend en meeslepend. Mannen die hummend in een kring staan en heen en weer wiegen, urenlang. Vrouwen die bezeten met stokken op een trog slaan in een opzwepend ritme. Steeds gebeurt er weer iets nieuws en bijzonders – en allemaal tegelijk.
‘Zie je hoe sterk onze mensen zijn?’  zegt de Toraja-jongen die ons rondleidt. ”Toen we aankwamen regende het maar nu zijn de wolken weggetoverd. Dat doen een paar oude mannen die alleen maar palmwijn drinken. Het is zware magie, maar zij kunnen het.’

Brokken vlees en ingewanden

Toch is het niet alleen maar mooi en betoverend. Het wassen beeld van de overleden dame is behoorlijk intimiderend, hoe ze daar op een verhoging naast haar kist over alles staat uit te kijken.
En er is het offeren. Als teken van respect voor de dode worden er honderden varkens meegesjouwd, stevig vastgebonden tussen twee stokken. Angstig krijsend gaan ze aan ons voorbij. En de buffels! De buffel is hier het allerhoogste statussymbool. Je rijkdom, je succes, zelfs hoeveel mensen er naar je begrafenis komen, alles wordt gemeten in buffels. Overal hoor je ze loeien.
En dan begint het slachten. Links en rechts, midden tussen het feestgewoel door vloeit ineens overal bloed. Neem dit letterlijk. ‘Een begrafenis zonder offers is als een bananenboom zonder bananen,’  zegt de Toraja jongen. ‘We werken zo hard om de buffels te krijgen, met bloed, zweet en tranen, dan is zo’n offer het ultieme teken van respect. Voor de dode en voor het dier zelf.’
Maar ach, onze arme dochters! ‘Ik vind het niet leuk om te zien, wel heel bijzonder,’ zei Chaia nog moedig toen al die beesten alleen nog maar vastgebonden waren. Nu de messen en branders eraan te pas komen en overal mensen voorbijlopen met enorme brokken vlees en ingewanden lopen ze alledrie te huilen. Chaia moet zelfs bijna overgeven.

Dijbeenbot

Onze aftocht van de begrafenis, in een walm van verbrand vlees en gillende varkens, lijkt bijna op een vlucht. ‘Als dit vannacht geen nachtmerries oplevert,’  zegt Ilco.
‘Ik dacht dat ik de dood hierna mooi en bijzonder zou vinden,’ zeg ik.
‘Een zooitje botten en verbrand vlees, meer is het niet,’  zegt Ilco, terwijl verderop alweer een dijbeenbot uit een rots priemt.
‘En waar gaat de ziel van de dode nu naartoe?’  vraag ik aan de Toraja jongen. Ik heb zo’n behoefte aan een geruststellend verhaal.
‘Naar second paradise,’  zegt hij. En dat dat een fijne plek is van waaruit alle doden liefdevol waken over hun familie.
‘En het eerste paradijs dan?’  vraag ik hoopvol. ‘Waar is dat dan?’
De jongen kijkt me stralend aan. Hij spreidt zijn armen wijd. ‘Hier,’  zegt hij, ‘Toraja life.’

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Koffie met een staartje

‘Het is je weer gelukt om in een vreemd land in het ziekenhuis te belanden,’ zegt Bloem tegen Chaia. Ikzelf zit in de nachtbus door Sulawesi nog na te hijgen van ons laatste avontuur.

Het gebeurde op Bali bij een koffieplantage. Daar heben ze een exquise delicatesse: luwak-koffie. De luwak – de civetkat- eet daar de koffiebesjes van de bomen en poept die ook weer uit, nog steeds lijkend op een boontje. Van die uitgepoepte bonen maken ze vervolgens extra pittige koffie. Raar, duur, maar best lekker, zeker na al die vieze oploskoffie in de rest van Indonesie.
Terwijl Ilco en ik die koffie drinken, gaat dierenvriend Chaia natuurlijk op de civetkatten af. Die liggen daar lief en poezerig te slapen en Chaia aait er eentje. Hap, zegt het lieve beestje en bijt in haar vingers.

Civetkatten eten geen vlees

Hondsdolheid. Rabies. Ik hoor het de dokter van het Tropencentrum nog zeggen: ‘Een beet van een wild dier in Azie is altijd gevaarlijk. We geven je kinderen drie preventie-prikken, maar als ze echt gebeten worden, bijvoorbeeld door een aap of een vleermuis, moet je zo snel mogelijk nog twee prikken halen.’
‘Maar civetkatten eten geen vlees,’  zegt iemand en dat klnkt op dat moment enorm eruststellend. Pas de volgende middag, als Chaia zegt ‘Mjn vnger doet pijn’  trekt de mist op in mijn hoofd. Hoezo eten civetkatten geen vlees? Weet ik dat wel zeker? Plus: is het niet eten van vlees wel een garantie dat ze geen rabies kunnen overbrengen? ‘Kunnen we nu nog naar een dokter?’  vraagt Bloem. En onmidddelijk springt een ander gruwelijk zinnetje van de tropendokter in mijn hoofd: ‘Als de rabies zich openbaart – en dat kan heel snel gaan – is het al te laat.’
‘We moeten naar het ziekenhuis. Nu!’  roep ik ineens midden onder de maaltijd. We zijn inmiddels in Makassar op Sulawesi en over twee uur vertrekt onze nachtbus diep de binnenlanden in. Daar zal in ieder geval geen goed ziekenhuis zijn.
Mijn man en kinderen kijken me verbaasd aan. Naar het ziekenhuis, nu? Maar de bus… de tickets zijn al gekocht, de bagage al daar gedumpt.
‘Nu,’  herhaal ik hysterisch. En dus springen we in de eerste beste riksja naar het eerste beste ziekenhuis. Met veel rumoer stormen we binnen, recht op de dokter af. De beet op Chaia’s hand wordt bekeken en de dokter vindt dat ze nog twee prikken moeten geven. ‘Alleen is het serum hiervoor erg moeilijk te krijgen. Het ziekenhuis zelf heeft het niet op voorraad.’

Vijfentwintig co-assistenten

Wat volgt is een idiote rit door de donkere stad op zoek naar het serum. ‘Ha, er gebeurt weer wat,’  roept Ilco op een gegeven moment zelfs uit.
En ja, we vinden het serum bij een verre apotheek en de geweldige dokter laat alle zieke mensen in de steek om meteen de prikken toe te dienen. Maar eerst moet ze nog even vijfentwintig co-assistenten en verplegers wegsturen die Chaia allemaal even interessant vinden en om haar bed heen drommen.
Buiten staan Ilco, Bloem en Dunya te wachten bij de ronkende taxi. ‘Dat wordt natuurlijk weer een weblog,’  zeggen ze, ‘we hebben de titel alvast voor je verzonnen…’

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Enjoy!

‘Ik wil zo graag origineel zijn,’  klaag ik tegen Ilco. ‘Dat kan niet,’  zegt hij beslist, ‘niet op Bali.’

De ligstoel van waaruit je de zon in de zee kunt zien ondergaan en welke cocktail je daarbij kunt drinken. Het mooiste tempeltje en vanuit welke hoek  je dat het best kunt fotograferen. De fijnste boedha-schilderijen en in welke gallerie je die kunt kopen. Ter plekke geplukte en gebrande koffie. Watervallen en hete bronnen. Dolfijnen. Ze zijn allemaal beschikbaar, bewegwijzerd, opgenomen in diverse combi-tours en alleen maar een klein beetje duur. De wegen in Bali zijn bezaaid met auto’s die in een lange rij van het ene mooie uitzichtpunt naar het volgende boetiekje van boedhistische pafernalia leiden. En aan het einde van de dag wacht een hard lachende boedha bij het gelijknamige hotel, waar (lezen wij allen in de Lonely Planet) het boek Eat Prey Love is geschreven.

Iets dat resort heet

Het dilemma van alle reizigers, vrees ik: je wilt alles meemaken en tegelijkertijd het gevoel hebben dat je Columbus zelf bent. Je wilt verrast worden – of in ieder geval bevestigd in je hooggespannen verwachtingen. Want dit is Bali, de naam alleen al klinkt magisch. ENJOY. Het woord ligt iedereen op de lippen bestorven. ‘Enjoy your reading’  zegt de lachende boedha tegen Bloem, die zit te lezen. Als ze tien  minuten later niet meer leest, zegt hij in het voorbijgaan: ‘Enjoy your time.’  En als hij haar vervolgens een drankje brengt…
Enjoy. Ilco is er goed in. Die racet met de surfers door de golven en zit daarna gewoon met een biertje in de ene hand en zijn camera in de andere klaar voor de zonsondergang. Ook de meiden hebben er geen problemen mee. Die zeggen: ‘Yes, een zwembad! Een pingpongtafel!’ – terwijl ik als een verwend en blase tutje in de huurauto zit te mopperen dat ik niet in iets wil gaan slapen dat ‘resort’  heet.
Ik kan veel van mijn gezin leren.

Eat, pray, love

En natuurlijk zijn er ook hier rafelrandjes, dingen die authentiek zijn tegen de klippen op. Alleen al het bidden en het offeren. Ik ben nog nooit eerder in een hindoeistisch land geweest en het fascineert me enorm hoe iedereen overal in de weer is met wierrook en offerbakjes. Op elke hoge rotspunt, voor iedere ingang (zelfs bij het resort) liggen die bakjes met bloemblaadjes, snoepjes en fruit voor de goden. Steeds worden ze ververst door innig prevelende hindoes. Iedereen offert, iedereen gelooft.
En als ik in alle vroegte het resort uitvlucht, over het grauwe vulkaanzand, verandert dat maar een paar honderd meter verderop van keurig aangeharkt in bezaaid met afval, kippen en honden. En daar komen de vissersboten binnen, met teilen vol sardines aan boord. Blote kindertjes duiken eropaf, vrouwen duwen me ruw opzij op weg naar de vangst. Niemand vraagt: ‘Massage? Boat trip? Sarong?’ Nee, ze verdringen zich rond de kleine hutjes waar vuurtjes branden voor de rijst: het ontbijt voor de vissers. Ik ben hier net zo weinig welkom als de sarongverkopers bij ons resort verderop.
In een hoekje sta ik te kijken hoe de opkomende zon alles oranje en dus mooi maakt, zelfs al het afval in de branding. Die enorme berg glinsterende visjes. De pezige vissers zelf, die de goden danken voor hun vangst. Eat, pray, love.
Enjoy, zeg ik zachtjes tegen mezelf. Enjoy.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Comfort zones

Het regent op Bali. Al de hele dag en voorlopig gaat het niet over, schijnt. Door de straten van het stadje schuifelen geschrokken toeristen, de wegwerpregenparka over het vrolijke strandhempje als een slechtpassend condoom.

Reizen haalt je uit je comfort zone – dat verkondigde ik net voor we op reis gingen nog met veel aplomb in een interview. Maar nu zie ik het weer in de praktijk. Gezinnen die, nu de zon er niet is, de veiligheid missen van hun vaste rituelen en op een boze manier maar van alles gaan kopen. De Nederlandse studenten die ik middenin de nacht in het hotel gigantisch hoor ruziemaken: ‘Denk je dat ik het zelf normaaal vind dat ik mijn beste vriend op zijn bek heb geslagen? Maar daar kan ik dus altijd al niet tegen: dat jij altijd maar je gelijk wilt hebben!’
Ik lig stilletjes te luisteren en probeer me voor te stellen hoe het is als je met je beste vrienden op vakantie gaat, helemaal naar Indonesie. Je koopt gigantisch dure tickets, belandt uiteindelijk midden tussen de toeristische highlights, boekt een excursie en dan… Dan gebeurt er dus, ver weg van je studentenhol, iets waardoor alle vriendschap zomaar in rook oplost. ‘Wat moeten ze nu?’  zeg ik tegen Ilco. ‘Allemaal apart verder?’ ‘Of ze slapen er een nachtje over en zeggen morgen ‘zand erover’ tegen elkaar,’  zegt Ilco laconiek.

Flauwgevallen

Een paar dagen geleden toen we nog in Yogya waren, rende er op klaarlichte dag een gillend anorectisch meisje van een jaar of zeventien door de hotelgangen. Omdat ik toevallig de enige Nederlander in de buurt was en zij alleen nog maar Nederlands leek te kunnen praten, probeerde ik haar te kalmeren. Het bleek dat ze buikgriep had en haar familie zonder haar een dagje naar de Borobodur was gegaan. Ze was wakker geworden om te kotsen, flauwgevallen, en dacht nu dat ze een enorme hoofdwond had. Het was nog best lastig om haar ervan te overtuigen dat het alleen maar een klein schaafwondje was. ‘Maar mijn hele gezicht voelt verlamd’.
‘Ga maar weer in je bed terug,’  zei ik met mijn moederlijkste stem, ‘je moet gewoon uitzieken. Met je gezicht is niks aan de hand.’ Toch stond ze erop dat de wond ontsmet zou worden. ‘Het is hier allemaal zo vreselijk primitief,’  jammerde ze (dit was het hotel waarover ik in het vorige blog schreef dat het zo luxe was). En toen ze eindelijk weer in haar bed lag, fluisterde ze nog doodsbang: ‘Wordt het echt een groot litteken? Ik heb volgende week namelijk een fotoshoot…’

Niemandsland

Het is eng om uit je comfort zone te zijn, dat snap ik heel goed. Zoals vandaag. Je flaneerschoentjes soppen van de regen, je geeft teveel geld uit, je snapt niet waarom je hier eigenlijk bent en niet gewoon thuis op je zonovergoten patio – of bij je oude moedertje.
Aan de andere kant, ik was gisteren weer even zo gelukkig in niemandsland. We maakten een busreis van meer dan twintig uur en het was nacht. Lekker slapen was uitgesloten, de bus stonk inmiddels behoorlijk en ik snakte naar tandpasta en een haarborstel. Maar toch. Dat schokkerige rijden door de nacht, ook nog met bus en al op een slome veerboot en dat het dan gaat regenen… het had iets fijns desolaats. Ik kon niks en ik moest niks. Lauwe nassi eten bij een onbestemd wegrestaurant en daar snel even plassen in een onhandige sta-wc. En dan weer verder de nacht door.
Misschien snapt niemand mij, maar, net als in een droom, kan ik me dan zo heerlijk vrij voelen – met niks, om niks.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Door de ratten besnuffeld

Een zit-wc! Met papier! En hij trekt nog door ook!

Na een maand jungle worden we in Java weer de beschaving in geslingerd. Winkels. Toeristen. Volle hotels. Koffie. En als we eindelijk een hotel vinden dat nog plek heeft, is er zomaar een echte zit-wc met papier. En er is een douche in plaats van een emmer bruinig water met een schepbakje erin – en het water is warm!

Walm van ouwe vis

Het verbaast me altijd hoe snel je het verwilderde weer van je afschudt. Het plakkerige van de jungle, handdoeken stijf van het zout, kakkerlakken, en ook nogal veel ratten. Dunya bestudeert ze (‘net grote muizen’). Chaia, de dierenvriend, bewondert ze (‘ach wat schattig’) en ik negeer ze. Totdat er bij het restaurantje in Kumai (waar je zoals overal je schoenen uit moet doen als je binnenkomt)  ineens eentje hebberig aan mijn teen zit te snuffelen.
Denk daarbij  een constante walm van ouwe vis, vermengd met onverschrokken ladingen insecticiden en je hebt de geur en sfeer van een oerwoudstadje vrij goed te pakken. Gelukkig is er af en toe de moeson die alles wegspoelt.
‘Jij wilde toch zelf de jungle weer in?’  zegt Ilco. ‘ Dat gezwijmel de hele tijd over de geluiden, de geuren. Nou dan.’
Af en toe val ik vreselijk door de mand en snak naar een echte capuccino op een elegant terras.

Toeristenvlees

En nu zit ik precies op dat terras, met mijn mooiste jurkje aan, de laatste versie van mijn manuscript te redigeren. En ik denk alleen maar: wat veel mensen, zoveel bloot toeristenvlees, zoveel herrie en prikkels overal. Neem de bus naar de Borobodur, beklim een vulkaan, kijk naar een voorstelling van (ook al woest schreeuwende) Wajang-poppen, koop armbanden van prachtig bewerkt zilver… Waar is mijn fijne oerwoud gebleven? Ik mis zelfs mijn zware, licht beschimmelde rugzak, die ik nog maar net van me af heb gesmeten. Wat is het toch vermoeiend om mij te zijn…

Ik bel mijn moeder want hier is weer overal verbinding. Ze klinkt helder, in alle opzichten.
Hoewel. ‘Yogyakarta, dat ken ik!’  roept ze enthousiast. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Daar is mijn vader nog geweest met zijn VOC-schip.’
Ha, toch nog een beetje ontregeling. En kijk, hoe toeristisch het hier verder ook is, daar verderop trippelt toch nog gewoon een dikke rat.