Categorieën
Verhalen van de berg

Echoes of my mind

‘Wat?’  zeg ik in de groentewinkel waar een groep zigeunervrouwen keihard staat te praten en te lachen. ‘Wat?’ vraag ik ook aan mijn buurvrouw die me op straat iets naroept.  ‘Wat? Wat?’  zeg ik tegen de mentor van de school die met allerlei gewichtige papieren voor me zit. ‘Wát is mijn kind?‘  Hij begint langzamer te praten maar niet harder. En dat terwijl het raast en knettert in mijn hoofd.

The echoes of my mind, zou dat het zijn? Ik ben zo autistisch aan het schrijven, ik hoor en zie niks anders meer. Alles om me heen is heerlijk wazig. Letterlijk ook: de berg is weer eens in een mistwolk gehuld. ‘s Avonds val ik uitgeput in slaap en hoor zelfs mijn jongste dochter niet als ze naast me staat te roepen: ‘Mama, mag ik bij jou in bed komen slapen?’
Maar nu moet ik toch echt opletten want de mentor van mijn andere dochter schuift me een enorme stapel toetsresultaten toe. ‘Wechsler ken je natuurlijk?’  Ik schud mijn hoofd en hij is teleurgesteld. Maar ik snap hem toch wel: mijn dochter is hoogbegaafd, hij heeft haar op wel vier verschillende manieren getest. Als de tests in het Nederlands waren zou de uitslag waarschijnlijk nog hoger zijn. En in wiskunde is ze zo goed dat ze mag meedoen aan een whizkids-programma van de universiteit van Granada. ‘Van wat?’  ‘Van Grandada.’
Ik ben niet echt verbaasd, wel een beetje giechelig. Mijn bloedeigen dochter een wiskundemeisje, ongelooflijk.

Duizelig

Nog een beetje duizelig loop ik binnen bij het centro de salud, onze huisartsenpost aan de overkant, om iets over de vaccinaties van de kinderen af te spreken. ‘Wat? Welke vaccinaties doen ze in Nederland wel en hier niet? En wat zei u nou over mij?’ De dokter zucht en herhaalt dat ik een bloedonderzoek moet, dat krijgt iedere vrouw in Spanje vanaf haar dertigste elke drie jaar om te testen op rare ziektes en cholesterol. Ik krijg een lang vragenformulier mee. Niet dat ik er zin in heb, ik voel me afweziger en vager dan ooit. Het ruist weer in mijn hoofd. ‘Dus wanneer moet ik terugkomen?’
De dokter kijkt me oplettend aan. ‘Je hoort echt bijna niks he? Mag ik even checken?’
En dan blijkt dus dat ik een fikse oorontsteking heb. Aha.

Categorieën
Verhalen van de berg

Drinkgelag

Een typisch Spaans feestje begint, bijvoorbeeld, om een uur of 1. Dan is er heel veel bier, en daarna barbecue met reusachtige bergen worst en speklappen, dan een grote taart met koffie en ook cava. Zingen, beetje dansen, heel veel kletsen. En dan, vanaf een uur of vijf, begint het Serieuze Drinken. En daar haak ik af. Altijd.

Rumcola, gintonic, het zijn vooral veel mixen en whisky met ijs. En het gaat snel! Spaanse mannen en vrouwen kunnen geweldig zuipen. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit de hele nacht doorgaat, tot het ver in de volgende dag is. En ondertussen rookt iedereen. Roken, drinken, drinken, roken. Kinderen spelen eromheen, slapen na een tijdje her en der op banken, niemand hoeft naar bed, het is feest.

En elke keer voel ik me weer zo’n spelbreker en ook wel een zielige kluizenaar als ik afhaak en als enige opstap aan het eind van de middag (voor mij dan, bij een Spanjaard is acht of negen uur ‘s avonds ‘het eind van de middag’). Ik ben dol op wijn en heb niks tegen dronken worden – maar niet als het moet. Niet met zo’n drinkgelag. En dan denk ik ook nog eens bij elke rumcola: help, daar gaan weer 350 calorien.

Geschokt

Toch is wel iets veranderd. Ze weten het hier, inmiddels, en ze nodigen me toch nog uit. Dat is bemoedigend.
Vandaag is er weer zo’n feestje, van mijn lieve vrienden Frank en Toni. Ze kijken niet eens heel raar op als ik na de taart wegga. Sterker nog, Frank zegt: ‘Speciaal voor jou was dit feest vandaag lekker vroeg. Zodat je er toch een tijd bij zou zijn.’
‘Je komt toch wel straks nog terug?’  zegt een van hun Spaanse buren geschokt. Het is dezelfde man die mij twee uur geleden, toen hij nog redelijk nuchter was, toevertrouwde: ‘Alles wat ik over twee uur tegen je ga zeggen, moet je bij voorbaat vergeten.’
En ik knik en zeg halfhartig: ‘Ja misschien kom ik straks nog even. Als ik mijn dochter opgehaald heb.’
Maar Eva, een andere Spaanse vriendin, fluistert in mijn oor: ‘Natuurlijk kom je niet terug, we kennen je toch? Al dat drinken is niks voor jou, dat vind je niet leuk en het past ook niet bij je.’  En terwijl ze dat zegt, geeft ze me een enorme omhelzing.
Ingeburgerder dan ooit rij ik naar huis. Ik ben raar en toch houden ze van me.

Categorieën
Verhalen van de berg

Jongleren met skippyballen

De verhoudingen zijn een beetje zoek. Zoals dat het nu sneeuwt in Montefrio terwijl het lente is. En dat er post is die je met een klap de realiteit in sleurt, terwijl je net zo heerlijk aan het zingen was over New York: seeing my face in lights / or my name in marquees / found down on Broadway.

Het is jongleren met skippyballen wat ik doe, de balans klopt niet altijd helemaal. Dat mijn liefje in New York is en ik niet, bijvoorbeeld. New York! De stad waar we James Brown live hebben zien spelen in een piepklein zaaltje, vlak voor hij dood ging. Waar goede koffie en goede kunst allebei om elke hoek te vinden zijn. Waar je de hele tijd omhoog kijkt en je zelf ook een beetje groter wordt.

Maar als je in Montefrio omhoog kijkt, stap je voor je het weet op een dood vogeltje, roze en pasgeboren – maar dood. Of een dode muis, en laatst zelfs een baby-rat. We hebben een huis met vijf toegansdeuren, ik snap niet waarom de poezen hun vrolijke lenteoogst steeds precies voor de deur van mijn schrijfkamer neerleggen.
De grootste gebeurtenis van vandaag is een stomme royalty-afrekening in het brievenbusje.  Eén keer per jaar check ik hoeveel lezers ik eigenlijk heb en dat is nu. Setback: het worden er eerder minder dan meer. Waarom? Het zal heus wel crisis zijn, ook daar, maar aan de andere kant: zo moeilijk is het toch niet om een paar duizend boeken te verkopen?

For the stars

‘Maar voor je nieuwe boek gaan we…’  Vanuit een of ander restaurant op Broadway (uiteraard) bedenkt mijn tomeloze schatje een soort campagneplan voor me. En ook de nieuwe uitgever belt, alsof hij het wist, en spreekt de legendarische woorden: ‘Ik sta hier op een crematie te denken over hoe we jouw boek straks goed op de schappen gaan krijgen…’
‘Shoot for the stars and you get the moon,’  sms-t Ilco en ik denk: o ja, New York, we’ll make it happen. Alicia Keys zingt het ook:  ‘Ladies work so hard / there’s nothing you can’t do,’
Nu eerst dat boek nog even afschrijven, lekker rustig op mijn berg. Ik gooi de deur open, sneeuw of geen sneeuw, want kijk, dit heb ik: leegte, ruimte!
En hup, daar stap ik weer op een dood vogeltje.

Categorieën
Verhalen van de berg

Schiet niet op mijn olifant

Dat zou nog eens een spannende tv-serie zijn: het verhaal van de Spaanse koning Juan Carlos. De man die werd opgevoed door een dictator en vervolgens de democratie teruggaf aan zijn land. Die zich hard maakt voor stierenvechten en de jacht, maar ook voor het Wereldnatuurfonds. En die iets raars heeft met schieten en geweren.

Schoot Juan Carlos echt per ongeluk zijn broer dood? Het overlijden van de toen dertienjarige Alfonso is nog steeds een mysterie. Er ging een pistool af en dat pistool was van grote broer Juan Carlos. Was Alfonso het voor hem aan het schoonmaken? Of was het toch echt Juan Carlos zelf die per ongeluk, in een ongelukkige beweging, zijn broer neerknalde (in zijn gezicht nog wel)?
Je zou denken dat je, als je zoiets overkomt, nooit meer een geweer aan wilt raken. Zo niet Juan Carlos. Nog niet zo lang geleden kwam hij in het nieuws omdat hij een beer doodschoot in Rusland. En zijn eigen kleinzoon leert hij het ook. Die schoot zich vorige week nog in zijn voet tijdens het oefenen met opa, lazen wij in de Spaanse kranten.

Koning gevallen

En dan hebben we nu natuurlijk het olifantenincident.
‘Ik denk dat dit verhaal echt gebeurd is omdat je het nooit zeker weet’  recenseerde een kind mijn boek Schiet niet op mijn olifant. En een ander redeneerde: ‘Het is echt gebeurd want je kan in Afrika olifanten vinden en ook olifanten kunnen worden doodgeschoten.’
De Spaanse koning bewijst het. Juan Carlos ging in Botswana op olifantenjacht. Daar betaalde hij een dubbel Spaans jaarsalaris voor, maar dan mocht hij ook ouderwets schieten. De afloop kennen we. Olifant dood, koning gevallen. Letterlijk gevallen, heup gebroken. En ook nog eens in ongenade, bij alle verbijsterde Spanjaarden, die tobben met de grootste crisis sinds tijden. Als je alle reacties bij El Mundo moet geloven is er werkelijk niemand trots op de koning op dit moment.
Lekker puh van die heup. En zo jammer dat mijn boek niet in het Spaans verkrijgbaar is. Wat zou ik dan nu heerlijk scoren!

Categorieën
Verhalen van de berg

Een hoofdpersoon die je ontregelt

‘Zijn wij niet te lief voor jou?’
Dat was de eerste vraag die mijn nieuwe uitgever mij een tijdje geleden stelde, tijdens een soort sollicitatiegesprek. Op tafel lag mijn eigen boek, Nooit meer lief. O nee, dacht ik.

Ik heb al zo vaak verantwoording moeten afleggen voor dit boek. En waarom eigenlijk? Bij boeken voor volwassenen is het de normaalste zaak van de wereld als de hoofdpersoon slecht is of slap of gemeen. Als het maar goed is opgeschreven, toch? Maar kinderen willen we daar uit alle macht tegen beschermen. Zoals een kennis mij een jaar geleden mailde: ‘Ik heb Nooit meer lief gekocht voor mijn nichtje. Maar toen ik het had gelezen, heb ik besloten het haar niet te geven. Wat moet zij ermee?’
Wat die kennis eigenlijk bedoelt, is: kinderen zijn lief en kwetsbaar. Ikzelf hou meer van wat Paul Biegel altijd zei: ‘De aard van het kind is niet het klein zijn, maar het groter worden.’ Natuurlijk zijn kinderen lief en kwetsbaar. Maar ook keihard en soms gemeen en vervelend. Het zijn namelijk net mensen. En het is geweldig om je te spiegelen aan de moed van Jonathan en Kruimeltje Leeuwenhart, de aardigheid van Sjakie (sjouw vooral veel rond met je krakkemikkige grootouders) of de lekkerstoute grapjes van Floddertje. Maar wat is er mis met een hoofdpersoon die je nou eens enorm ontregelt? Die steelt, liegt en pest?
Veel dus, als ik alle kritiek op een rij zet, die ik sinds het verschijnen van Nooit meer lief heb gehoord. Zelfs nu, bij de nieuwe uitgever, moest ik het weer uitleggen. Zoals ik dat ook al heb gedaan bij de vorige, bij de vertegenwoordigers, ouders, boekwinkels. ‘Straks gaan kinderen dit allemaal kopieren en dan?’  ‘Ik ben zelf vroeger gepest en word hier heel boos van.’ ‘Kinderen hebben voorbeeldboeken nodig, daar leren ze van.’
‘Want kinderen zijn lege vaten,’  zei een tegenstander boos tegen mij in een radiodebat.

Schaamteloos

Is dat zo?
Mijn eigen superlieve dochter jatte een keer schaamteloos een antiek popje van de buurvrouw en vervolgens loog ze er zo overtuigend over, dat iedereen erin trapte. Dat zat dus allemaal al in haar – net als een enorm reservoir aan liefde en kracht. Waarmee ze ook dit rare boek van mij goed kan opvangen en het inmiddels zelfs mijn beste boek vindt.
En dat is het belangrijkste.
‘Jullie nemen kinderen toch serieus?‘  zei ik dus tegen de nieuwe uitgever. ‘Dan moet je maar eens op mijn site kijken.’  Want van alle veertien boeken die ik heb geschreven is Nooit meer lief het boek waar ik met stip de meeste fanmail op krijg. Het is al anderhalf jaar uit maar ik krijg elke week nog wel een compliment in mijn postvak, op facebook of op mijn site. Van kinderen.

In licht gewijzigde vorm als column op Leesplein deze maand:
http://www.leesplein.nl/LL_plein.php?hm=1&sm=2&id=92

Categorieën
Verhalen van de berg

Crisis? Dus zo ziet dat eruit.

‘Zoveel moois maar niemand die ernaar komt kijken.’  Zoiets is denk ik de vertaling van het ingewikkelde Andalusiche spreekwoord dat het oude slagersvrouwtje mij vertelt. Inderdaad heb ik de slagerij niet vaak zo vol vlees en zo zonder mensen gezien. Waar is iedereen?

‘Pasen is toch voorbij?‘  vraag ik, maar de slagersvrouw zegt: ‘Nu is iedereen weer druk met de asperge-oogst.’
Dat het een paar weken rustiger was door de olijfoogst, kon ik me voorstellen. Iedereen werkte op het land, ook in het weekend. Hoewel, de boeren moeten toch ook eten? En daarna dus Pasen, vasten. Maar nu? Lang niet iedereen heeft van die groene-aspergevelden.
Nu ik erover nadenk: bij de visboer was het ook al zo leeg. En kreeg ik extra vis mee, zomaar, omdat het anders toch weg zou moeten. En een van de twee visvrouwen is ontslagen.
Zou dit dan het gezicht zijn van de Spaanse crisis? Keihard minder eten? ‘De kantine op school is ook leeg,’ zegt Bloem. ‘en er zijn kinderen heel klein gaan schrijven omdat ze geen nieuwe schriften meer mogen dit semester. En ze schrijven met pennen die eigenlijk op zijn.’

Mandjes

‘We verkopen nu ook groente,’  zegt de slagersvrouw hoopvol. Ze hebben mooie mandjes gekocht en een hele zijwand veranderd in groentewinkel. ‘Kijk, daar liggen de zakjes. Je kunt zelf pakken wat je nodig hebt en dan wegen wij het voor je.’
Ze doet me zo aan mijn oude grootje denken. Maar ik kan toch niet mijn groentemannetje voor het hoofd stoten, die het ook vast zwaar heeft?
‘Ik zal in ieder geval veel blijven komen,’  beloof ik de slagersvrouw terwijl ik meer vlees koop dan ik van plan was. ‘En geef me ook nog maar wat kip.’
Met een grootje-knikje (bij het knikken de ogen even dichtknijpen als een poes) stopt ze nog iets extra’s in mijn tasje. ‘Een delicatesse, dat moet je thuis lekker bakken in olijfolie en je kinderen laten opknabbelen.’  Precies zo gaf mijn grootje mij altijd een chocoladereep mee.
Thuis kijk ik nieuwsgierig wat er bovenop mijn tasje ligt. Het is een echte, zachtrode hanekam.

Categorieën
Verhalen van de berg

Chips met botersmaak

Hoeveel kan een Spaans kind eten? En hoe Spaans zijn mijn eigen kinderen inmiddels?
Spaanse inburgeringswet nummer zoveel, categorie eten: vergeet vooral de lunch niet.

‘Neem allemaal een voorbeeld aan Bloem en Chaia.’  Dat ik broodtrommels meegeef met echt brood erin, is heel bijzonder, vindt hun gymleraar. De andere kinderen komen op school met chips, voorverpakte chocoladedonuts en van die reuze-krakelingen. Ook de kantine van de school verkoopt van alles in die richting. Zeker niks gezonds, dat koopt niemand. Maar wel: chips met botersmaak, maischips met kaas en boter, wokkels met ketchup, dat werk. Als je in de pauzes op school komt loopt iedereen chips te eten. Maar dat helpt niks, want om drie uur hebben die kinderen alleen nog maar HONGER. Dan moeten ze heel snel naar huis en gauw heel veel en calorierijk eten. Speelafspraken vinden altijd pas na de lunch plaats, om een uur of vijf, en duren tot een uur of negen. En dat vind ikzelf nou weer onhandig omdat ik, heel oningeburgerd, om een uur of zeven zin krijg in avondeten.

Estroopwafels

Vandaag komen er, bij hoge uitzondering, twee vriendinnen van Chaia meteen mee uit school om huiswerk te maken.
‘Kan dat wel met de lunch?’  heeft de moeder van een van hen bezorgd gevraagd.
En ook Chaia zegt een paar keer: ‘Mam, denk je aan de lunch?’
Zodat er hier om half vier uur een enorme schaal pasta klaarstaat. Plus brood. Plus olijven. Plus salade. Plus aubergine. Plus kip.
En het is niet te geloven maar die maaltijd wordt vlot verorberd, ook door mijn eigen dochters. Zelfs door Dunya, die notabene net een warme driegangenmaaltijd in de eetzaal van de basisschool op heeft. En die pakt daarna ook nog even een zelfgemaakt yoghurtijsje mee. Hoe blijft dat kind zo dun?
Daarna gaan Chaia en haar vriendinnen huiswerk maken met een grote schaal paaseitjes erbij. Tot zes uur. ‘Mam…’  begint Chaia. Alweer honger! Natuurlijk, nu is het tijd voor de merienda: frisdrank plus chips of koek of zoete broodjes. Of allemaal. Ik maak popcorn en fruitsalade voor ze. En vooruit, ook nog wat zelfgebakken paasbrood en aardbeiencake. Het lijkt wel een high tea en alles gaat op.
Door dit alles laat ik de tapas maar even zitten. Hoewel ik wel nog een extra schaal popcorn maak. En dan ontdekken de vriendinnen van Chaia tot hun grote plezier nog een zak echte Nederlandse ‘estroopwafels’. Op!

Om half negen zijn de vriendinnen weer weg. ‘Bedtijd,’  zeg ik tegen Dunya.
Ze kijkt me geschokt aan: ‘Maar mam, we moeten nog eten!’

Categorieën
Verhalen van de berg

De slome tijd

‘Het is echt een taboe dat we er alsmaar klakkeloos vanuit gaan dat er maar één leefritme is,‘  schrijft een vriendin. He ja, fijne paasgedachte: we gaan een taboe slechten!

Wat bepaalt het ritme waarin je leeft? In ieder geval de plek waar je woont. In Afrika heb ik wel eens geschreven over de eindeloze tijd. Dat was soms stom, bijvoorbeeld als we op onderdelen voor de auto moesten wachten. Die kwamen – of niet. Dreigementen als: ‘We wachten nu al zeker tien dagen’  hadden geen enkel effect. De Afrikanen glimlachten: dan duurde het dus kennelijk tien dagen. Misschien langer. ‘Ik heb de tijd,’  zegt een Nederlander. Of ‘Ik heb geen tijd.’  De Afrikaan zegt: ‘De tijd heeft jou.’
Maar er is ook nog een andere tempo: dat van je eigen universum. Ik had aan die vriendin verteld dat mijn wereld, en dus ook mijn tijd, zich op dit moment afspeelt op de vierkante centimeter van mijn boek. In mijn hoofd dus. Alles wat daarbuiten gebeurt is me algauw teveel, zelfs dingen als paasvakantie of eten met vrienden. En dan heb ik ook nog een man bij wie alles altijd enorm groot en snel  is. Terwijl hij met slachtoffers van internationale vredesconflicten praat aan een ronde tafel in Cairo, denk ik urenlang na over de volgorde van drie, vier zinnetjes.

Drie nieuwe creditcards

De wereld draait snel in Cairo en minder snel in Montefrio. Toch is zelfs dat me nu af en toe teveel. ‘Wie het standaardritme het beste volgt wint, wie iets anders verzint, moet zich aanpassen,’  zegt de vriendin dreigend. Dus dat doe ik. Ik bedenk samen met mijn dochter een plan voor haar komende verjaardag, maak sushi voor onze Spaanse vrienden (nog steeds geen vlees hier), en leef mee met Ilco die een megadeal sluit waardoor hij meer dan een miljoen mensen kan bereiken in drie minuten. Zelfs bel ik uit mezelf het call center (‘er zijn meer dan tien wachtenden voor u’) van de bank om uit te vinden waarom we ineens ongevraagd drie nieuwe creditcards hebben gekregen. Maar dat doe ik allemaal vanuit een prettig soort wazigheid. Mij krijgen ze niet gek, hoogstens een beetje chagrijnig af en toe. Leve de slome tijd!

Categorieën
Verhalen van de berg

Ondertussen in Andalusië

Pasen in Spanje is raar. Elk jaar opnieuw valt het me weer rauw op mijn dak: o nee, semana santa!

Geen lammetjes, want geen schapen. Ook niet van boter.  Geen kuikentjes. Geen paashaas en dus ook geen eitjes zoeken. Geen chocolade-eieren met van die schattige laddertjes waar kuikens uit klimmen. Geen vlees: in de de semana santa vast je op een sneue manier door ongekookt eten te eten, vooral veel gedroogde vis.

Lijdensweg

En dan zijn er natuurlijk de procesies: rondsjouwen met droevige Maria’s en gekruiste Jezussen op vergulde platforms. Dat is een serieuze zaak, begeleid door serieuze muziek.  Het Lijden wordt getorst op blote voeten, de heiligheid getooid in griezelige puntmutsen. Soms worden ook een paar staties van de lijdensweg van Jezus verbeeld. Dat is behoorlijk indrukwekkend allemaal en net zo folkloristisch als stierenvechten. Maar -net als stierenvechten- ook een beetje naar.
En dat terwijl pasen bij mij juist een groot verlangen oproept naar heidense lente-rituelen. Samen aan een vrolijke tafel paasbrood met roomboter eten. Dansen om de meiboom zoals ze in de boeken van Astrid Lindgren altijd doen. Lentevuren stoken in een veld vol gele bloemen. Tussen de lammetjes wandelen en vieren dat de winter voorbij is.
Maar dat is ook zoiets: hoe heerlijk het weer hier ook is, in de semana sante begint het altijd te regenen. Altijd!

Categorieën
Verhalen van de berg

1 april

‘Wat is de beste 1 aprilgrap die jij ooit heb uitgehaald?’  vraagt mijn jongste dochter. We zitten al een tijdje te bespreken waarom de ene grap (‘we zeggen tegen Chaia dat ze nooit meer mag paardrijden’) ongeloofwaardig is, de volgende (‘we verzetten alle klokken en maken Bloem  middenin  de nacht wakker en zeggen dat ze zich heeft verslapen’) voor de grappenmaker zelf irritant is, of gewoon niet leuk (alle andere grappen).
‘In Sudan, met je zusjes,’  zeg ik meteen.

Mijn dochters zijn, net als ikzelf, een soort Samson: kom aan mijn haar en je komt aan mij. Kappers zijn onze natuurlijke vijanden (‘Ik ben een long hair lover,’  fleemde een kapper ooit. Dat was zo bijzonder dat ik jaren bij hem ben gebleven), net als chloor, oude kauwgum op ligbedden, of walmend fituurvet. De beste 1 aprilgrap ooit ging dus ook over het haar van mijn dochters.

Prinses op de erwt

Het was op de terugreis van Afrika. Wekenlang hadden we door de woestijn gereden. Toen was er een verplichte stop waar we het Nasrmeer over moesten met een boot. Die boot ging niet meteen, we moesten eerst dagenlang allemaal formaliteiten afhandelen. En al die tijd mochten we niet in de daktent slapen, maar verplicht in een soort grenshostal. Dat zag er in eerste instantie helemaal niet zo stom uit: grote slaapzalen waar stapels vrolijk gekleurde matrassen lagen. De meisjes speelden er prinses op de erwt en Ilco en ik regelden een prive-slaapzaal alleen voor ons gezin.
De slaapzaal bleek ‘s nachts alleen kokend heet en de matrassen zelf enorm synthetisch. Pas na een tijdje kwamen we erachter dat dat gekriebel ook nog door iets anders kwam. Vele reizigers voor ons hadden er een hele mini-dierentuin aan bedbugs, vlooien en luizen achtergelaten. Ineens snapte ik het liedje van de musical Hair: ‘A home for fleas, a hive for bees, a nest for birds… There ain’t no words, for the beauty, the splendor, the wonder of my hair.’

Oases en luizengif

‘Straks in Egypte komt dat allemaal weer goed,’ beloofden we onszelf, want ook douchen was lastig in de woestijn. We droomden van oases en luizengif .En eindelijk lukte om een felbegeerde plaats op de boot te bemachtigen.
Toevallig was het die dag net 31 maart en in die lange, hete nacht verzonnen Ilco en ik een goeie grap – dat dachten we tenminste.
‘We kunnen vanmiddag eindelijk weg met de boot,’  vertelden we de meiden die ochtend, ‘alle papieren zijn in orde. Er is alleen één dingetje. Ze willen in Egypte niet dat al het ongedierte van Sudan er binnenkomt. Dus iedereen moet zijn haar afknippen, liefst zo kort mogelijk. Maak je geen zorgen, het is toch al tamelijk dood van de zon. En het groeit ook heus snel weer aan.’
We kregen niet eens de kans om ons verhaal af te maken. Ten overstaan van de verbijsterde Sudanezen begonnen onze schattige kleine meisjes te brullen en te krijsen als wilde dieren. Ze gilden en renden weg, bedekten hun hoofden, schreeuwen dat ze nooit met ons mee zouden gaan, dat ze de rest van hun leven wel in Sudan zouden blijven, en dat we niet van ze hielden omdat we ze anders nooitnooitnooit hun haren zouden laten afknippen.
‘1 april. 1 APRIL!’  riepen Ilco en ik geschrokken. Maar het duurde zeker een uur voor ze weer een beetje gekalmeerd waren.