Categorieën
Verhalen van de berg

Mañana

‘Ik neem mijn kind NU mee. Dan maar geen prik,’ gil ik lichtelijk hysterisch door de geschrokken gangen van het centro de salud.
‘Neenee, dan krijgt ze waterpokken en heel erg hoge koorts en…’  zegt de boerse verpleger ontzet.
‘DAN KRIJGT ZE MAAR WATERPOKKEN!’

Volgens mij is de bureaucratie in Nederland anders. In Spanje duurt alles vooral heel erg lang en iedereen heeft alle tijd van de wereld. Ja, dat is een cliché -en het is waar. Ik heb heel hard geleerd om daar net zoals de Spanjaarden mee om te gaan: ontspannen, gelaten. Ik verbeeld me zelfs dat ik nu meer zen ben dan vroeger, dat er in mijn ongeduldige karakter iets is geluwd, milder is geworden.
En soms ineens helemaal niet.

Matricula

Alleen al het woord matricula geeft me een soort rilling. Dat betekent inschrijving en je doet het voor alles en elke keer opnieuw, met behulp van heel erg veel papieren. Deze week staat in het teken van de universiteitsexamens van de oudste dochter, die zelf heel verstandig naar Mallorca is gevlucht. Dus moet ik de matricula doen. ‘Echt begin deze week hoor mama, anders lig ik eruit. Ik schrijf het voor je op, het is makkelijk.’ Maar natuurlijk is het niet makkelijk – al was het maar omdat op de betreffende dag de site van de universiteit steeds ontploft door al die matriculeerders. En als je alles achter de rug hebt, komt het toetje: je moet onmiddellijk betalen, anders is het alsnog mislukt. Geen sprake van dat je het over kunt maken. In Zuid Spanje gaat iedereen gewoon nog met een zakje geld naar de bank.
In Montefrio zijn drie banken. De vorige keer dat ik iets moest betalen (een bekeuring), kon dat alleen bij bank drie, dus daar begin ik nu. Om er na een halfuur in de rij achter te komen dat ik in dit geval toch echt bij bank twee moet zijn. Waar de rij veertig minuten lang is.

Vacuna

Met een vaag papiertje met een onleesbaar stempel erop haast ik me hijgend naar de volgende missie: een vacuna, een inenting voor de jongste. Als je hier op je elfde nog geen waterpokken hebt gehad, krijg je een prik en aangezien Dunya als de dood is voor waterpokken, hebben we inmiddels drie maanden geleden de eerste antidosis gehaald. Daarna ging het steeds mis. Stond ik daar met het uit school geplukte kind, was de koelkast van de vaccinatievloeistof kapot, dat soort dingen.
En vandaag is de prikkenzuster er niet, hoewel ik heel nadrukkelijk met haar een afspraak heb gemaakt (dat moet altijd in de ochtend aan de balie, ook gauw een halfuur in de rij). Met twee krijsende baby’s en een hyper Dunya die allemaal lessen misloopt, wachten we voor een lege behandeltafel. Af en toe loopt er een verpleegster voorbij die de baby’s knuffelt, verder gebeurt er niks. Meestal heb ik een boek bij me, maar vandaag ben ik dat vergeten. De baby’s gillen steeds harder, Dunya smijt bonkend een stuiterbal tegen de muren en de ramen trillen onheilspellend. Ik word heel moe ineens.

Ambulancebroeder

Na een half uur komt er dan toch iemand: de ambulancebroeder gaat prikken. Want, zegt hij, de prikkenzuster draaide vannacht ambulancedienst.
En dan gaat het nog veel misser. Want van Dunya is -als Nederlands kindje- een apart dossier en dat vindt de man moeilijk.
‘Maar het zijn maar waterpokken. En ze heeft de halve dosis al gehad.’  Ik voel hoe mijn staat van zen ineens heel snel aan het afbrokkelen is. Al uren ben ik in het dorp vandaag – en voor wat?
De broeder toetst wat in op zijn mobieltje, bladert wat door vage mappen. ’Kom toch maar terug als de prikkenzuster er zelf is,’ zegt hij.
‘Oké. Maak maar een afspraak,’ neem ik knarsentandend mijn verlies.
‘Dat moet aan de balie.’
‘Maar die is nu dicht.’
‘Dan moet je later deze week terugkomen om een afspraak te maken voor de week erna.’
En dat is dus het moment.

Categorieën
Verhalen van de berg

Mourir un peu

De laatste dagen denk ik soms dat ik doodga.
Dat gevoel als je oudste kind uitvliegt. Als je jongste haar laatste zwembadpartijtje voorbereidt (nooit meer een basisschoolkind…). De laatste keer dansen in Granada, de laatste grote fles olijfolie van de fabriek, de laatste keer in de lange rij voor het centro de salud…

Landrover

Maar ook: alle ouwe spullen die door mijn handen gaan omdat we opruimen voor de verhuizing naar het veel kleinere huis. Kleren geladen met herinneringen – maar ook versleten. Oude contracten van oude uitgevers en hoe blij ik toen was. Stukgelezen boeken. Een coherente brief van mijn moeder.
En als klap op de vuurpijl vandaag gasten die misschien de Landrover gaan kopen om ermee naar Afrika te gaan. Dat is heel fijn voor de auto, maar voor ons best raar. Die auto reed ons ooit Nederland uit, die was ons huis of eigenlijk ons hol als er wilde dieren waren of muggen of hete zon of opdringerige kindjes – of gewoon nacht.
Maar een Landrover in Amsterdam is te groot en te log. En zeg ik niet steeds dat ik zo’n zin heb om weer te fietsen?
Toch wil ik hem straks niet weg zien rijden zonder ons erin.

Mindfuck

Bovenaan een springplank kijk je even in het luchtledige. De meeste mensen springen gewoon, een paar lopen terug. Ikzelf blijf eindeloos staan, daar. Daarom ben ik een nep-avonturier, vrees ik, en er misschien ook iets te melancholisch voor. Het gaat zelfs zo ver dat ik gisteren een soort scenario heb bedacht voor als ik nog 24 uur te leven had en alles was mogelijk. Wat zou ik dan eten, wat zou ik doen, waar en vooral met wie? Ik ben er inmiddels uit, maar het is een niet geringe mindfuck. En totaal opportuun natuurlijk, er liggen nog zoveel avonturen om de hoek. ‘Hou nou eens op met alles dramatisch ‘voor het laatst’ te benoemen, zegt mijn dochter. En terecht. bijna niemand heeft een levensverhaal dat uit zoveel hoofdstukken bestaat – en dat is toch precies wat ik wil? Dat het nooit saai is?
Maar mocht ik nu toch… dan wil ik bij deze verklaren dat ik hartstochtelijk van het leven heb genoten. En van jullie.

Categorieën
Verhalen van de berg

Mijlpaal


Er valt van dat zuidelijke ochtendlicht op onze churros. Daar zitten we dan eindelijk: in zo’n typisch Spaans straatbarretje met een tandenloos omaatje in de hoek, en de tv en het churros-apparaat in het midden. We made it!

Ze heeft het op kracht gedaan, die oudste dochter. Haar hele middelbare schooltijd in een ander land. Ze worstelde zich eerst door de taalbarrière en toen ze die eenmaal onder de knie had, werkte ze zich helemaal zelf het kleine Montefrio uit. Van de dorpsschool naar de privéschool, van een demotiverende naar een hyper intellectuele omgeving – waar ze vandaag haar laatste examen heeft. Nooit klaagde ze over de lange uren reistijd die ze er per dag voor moest afleggen.

Valreepramp

Of ik… Op het laatst begaf haar brommer het en moest ik haar dag in dag uit rijden over het door mij zo gehate bergweggetje. Duizend doden uitgestaan met regen, sneeuw, ijs. Geslipt, een paar keer bijna een ongeluk. En elke keer weer als we ’s ochtends eindelijk in het dorpje kwamen waar haar schoolbus stopt, reden we door een walm van zoete frituur die nog zeker tien minuten in de auto bleef hangen. ‘De allerlaatste keer dat we hier moeten zijn, gaan we daar feestelijk churros con chocolate eten.’
Inmiddels is de verbouwing in Amsterdam aan een krankzinnige eindspurt begonnen, zoals dat hoort met de ene valreepramp na de andere. Er moeten lantaarnpalen uitgegraven worden voor de mega-hijskraan. Er gaat een stuk van het glazen dak kapot en de lange levertijd vertraagt alles. De tuinmannen kunnen almaar niet het zomerterras gaan bouwen. Dingen passen niet, worden duurder, veel duurder…
Mijn man is er goed in en blijft oplossingen verzinnen, mensen sussen, mij sussen. Ikzelf ben geen ondernemer, dat is maar weer eens gebleken. Ik zal dolblij zijn als onze herberg straks draait en al die verhuizingen en ook examens achter de rug zijn. Stressbestendig ben ik ook al niet.

Maar nu wel. Nu zit ik aan een formicatafeltje een miljoen calorieën naar binnen te werken. ‘Delen we een portie?’ Welnee. We hebben iets te vieren, en dat iets is volop en veel. Nóóit meer die enge bergpas en straks het laatste examen. Hoera!

Categorieën
Verhalen van de berg

Altijd pinksteren

Het moet het Oosterpark zijn geweest. Ik lag op mijn rug en zag hoe spikkeltjes zonlicht door het lentegroen van de bomen vonkten. De wereld was zacht en schommelend en -geen idee waarom – maar in mijn beleving was het pinksteren.
Het is mijn eerste herinnering en op een bepaalde manier is het altijd pinksteren gebleven.

Kuieren

Het is er elke keer als iemand het woord pinksteren zegt (alleen niet bij ‘pinkstergemeente’). Als het ruikt naar lente. En vertienvoudigd als mijn man door een bos, park of langs een strand hand in hand met een dochtertje liep. Te kuieren in de zon. Een oerbeeld, in serie met die veilige wereld van mijn eigen allereerste pinksterdag.
Ik dacht eraan nu mijn vriendin Jowi hier is met haar kleine zoontjes en ik vanmorgen  ineens weer zo’n klein handje in de mijne kreeg, zo vol vertrouwen.
Dat hand in hand lopen met je kind gaat over (wanneer eigenlijk? en vooral: waarom?)
En sinds ik de prachtige maar ook gruwelijke voorstelling van mijn andere vriendin Esther heb gezien, die Op een mooie pinksterdag heet en die gaat over het verlies van een kind, is de nostalgie ook melancholie geworden.
Maar toch. Het is pinksteren. Het wordt altijd weer pinksteren.

Categorieën
Verhalen van de berg

A room of her own

Mijn lieve dochters, ik zal jullie nooit zeggen dat je een stoer wijf moet worden of juist een meisjemeisje, dat moeten jullie lekker zelf uitzoeken. Carrière, studeren, kinderen, trouwen of juist niet,  reizen, niet-reizen – allemaal goed.  Als je maar wel…
‘A woman must have money and a room of her own if she is to write fiction.’ Dat advies van Virginia Woolf geef ik jullie graag mee. Vooral die eigen kamer.

Tuinhuis

In het eerste huis dat Ilco en ik samen kochten, had ik een piepklein kamertje met een bureau op maat bij het raam. Later werd dat ook babykamertje. In het dijkhuis daarna had ik, net als Roald Dahl, een tuinschrijfhuis – mijn redding! Met al die plotselinge baby’s kon ik af en toe naar dat huisje vluchten, ik schreef er mijn eerste boek. Jullie drietjes hadden al heel snel geleerd om er nooit ofte nimmer binnen te komen. Een keer zag ik een van jullie hard uit de schommel vallen en daarna krijsend aan komen rennen. Ik sprong op maar je liep in volle vaart de deur van mijn tuinhuis voorbij – recht naar binnen naar de oppas. Ja,dat verhaal kennen jullie.
Hier in Spanje heb ik de mooiste kamer van het huis, die we de ‘leesschrijfkamer’ noemen omdat alle boeken er staan en fijne zachte banken. Helaas staat er ook de tv. Deze kamer is heerlijk totdat iedereen uit school komt. Dan is het mijn privékamer niet meer.

Troep

Het hoeft niet groot te zijn. Maar wel dat het dicht kan, en van jou is. Een kamer om je chaos te vieren (of juist je gestructureerdheid), je gedachten zichtbaar te hebben, je lievelingsdingen om je heen. Het ziet eruit als troep, maar het zijn mijn liefste briefjes en vage citaten, mijn tig opschrijfboekjes, die ik meestal niet eens meer inkijk, de geluksstenen die ik vond op belangrijke momenten (ik weet alleen niet meer welke), overal zand van over de hele wereld. En diverse potjes nagellak, voor als ik me verveel.
Het wordt nog wennen aan de kleinheid van het huisje in Amsterdam. Maar ik kan jullie verklappen: ik had die hele deal afgeslagen als ik niet dat piepkleine rare aanbouwtje had met die deur die dicht kan. Het huis wordt op dit moment stijlvol melkwit geschilderd, maar dit hol – wat we nu al het aquarium noemen- is lekker turkooise en raar en van mij. Ja, ik weet dat het voorlopig ook nog even jouw slaapkamertje is, Bloem en jij weet dat ik dat prima vind, zelfs gezellig. Je weet ook al: aan de wanden komen mijn boeken. Bij het raam mijn ouwe super onpraktische bureautje met de laden die niet meer goed dicht kunnen en waarvan het blad griezelig doorbuigt. En ja, ik vrees ook met mijn troep erop en ernaast.
Maar weet je, eigenlijk slaap je dan in mijn geluk.

Categorieën
Verhalen van de berg

Een gebroken pistool, kersen, een slang

Zoals een boardsurfer urenlang kan dobberen in afwachting van die ene golf.

Eerlijk gezegd bestaan mijn dagen voor 95 procent uit routine en verplaatsingen – van mezelf of van dingen. Van die saaie gebeurtenissen die zich aaneenrijgen, die je onmiddellijk vergeet. Wat je wél onthoudt en waar je het allemaal voor doet – dat zijn de momenten.

Een knal en een klap

Je hebt de bizarre momenten. Chaia en ik met haast bij het tankstation van Montefrio. Precies nu was het druk met hoog bezoek van de Guardia Civil, de enige pompbediende rende zenuwachtig heen en weer.
In Spanje tanken ze nog voor je en ik vrees dat ik de arme man een beetje opjoeg. In ieder geval, hij gooide de Landrover vol en we gingen naar binnen om te betalen.
Weer buiten sprong ik in de auto en reed snel weg. Ik kwam niet ver. Er was een knal, en een klap. Toen Chaia en ik uitstapten zagen we dat ik de hele pomp had meegenomen. De gehaaste tanker had de slang laten zitten, die had ik dus meegesleurd totdat ie brak. De mannen van de Guardia Civil kwamen aanrennen met de ‘pistola” (zo heet dat ding wat dus in mijn auto was blijven hangen) en met mijn benzinedop. Ik schaamde me heel erg, maar de man van het tankstation schaamde zich nog meer. Chaia en ik reden maar snel weg – giechelend en verbijsterd. ‘Dit was écht heel raar.’

Slang

Maar er zijn natuurlijk ook de geluksmomenten, vaak zomaar per ongeluk. Zondagochtend in diezelfde auto, raampjes wijd open, zomerwind. Rijdend door een kilometerslange haag van wilde brem, de geur overal naar binnen waaiend. En na al dat geel heuvels vol met klaprozen. Langs de weg verkopen ze kistjes kersen, de eerste van het seizoen.
Ik kom voorbij een tanatorio waar ze huilend en schuifelend iemand aan het begraven zijn; en drie minuten later langs een trouw- of een communiefeest in de buitenlucht, alle vrouwen in korte glimmende Spaanse jurkjes en met fraai gekapt haar. Het ruikt er krachtig naar worstjes. Natuurlijk glijdt er op dat moment een grote slang over de weg, het enige dier dat symbool is voor leven en dood tegelijk.
En ondertussen eet ik Spaanse kersen tot ik er buikpijn van krijg en spuug de pitten naar buiten, zachtjes zingend.

Categorieën
Verhalen van de berg

Zigeunerlegging

‘Ik heb totaal geen medelijden met je, dit heb ik zelf elke dag,’  zegt mijn dochter.

Je gaat naar school en naar de universiteit. Tot je dertigste doe je zo hier en daar nog een cursus. Maar dan ben je wel met klaar met dat schoolse gedoe. Denk je.
De enige examens waar ik ooit voor gezakt ben zijn mijn rij-examen en mijn type-examen. Dat rij-examen kwam later wel goed, typen blijft een moeilijk dingetje, of eigenlijk: ik kan het niet blind. En ook niet met meer dan vier vingers (ik kan het wel snel).
En nu moet ik ineens wéér. Allergenen-examen, hygiënecode-examen en straks ook nog sociale hygiëne-examen. Biertaples en baristales. Pas daarna mag ik een herberg runnen.

Hersenhelft

‘Gefeliciteerd, u bent geslaagd!’ Nee, ik word niet blij van al dat geleer, mijn hersens zijn te vastgeroest.
Dus wat doe ik om mezelf lenig te houden: nóg een cursus. Maar dan eentje die mijn andere, intuïtieve hersenhelft stimuleert. Het is vrij absurd in alle drukte, maar het is me gelukt: de afgelopen maanden heb ik stiekem heel hard gestudeerd en nu kan ik het. Of tenminste, ik moet nog heel veel oefenen, maar de theorie beheers ik, daarvan getuigt een gewichtig certificaat. Ik heb zelfs nog extra informatie verzameld op Internet, ik heb echt heel hard gewerkt temidden van alle verhuis, schrijf- en examendrukte.
Dus. Straks in het najaar in de herberg, kun je bij me langskomen en dan geef ik je een consult in de glazen serre (als ie vrij is). In het begin nog heel rustig want zoals ik al zei: ervaring is alles. Maar toch. Volgens mij heb ik er wel een beetje gevoel voor, ik vind het in ieder geval fascinerend om te doen. Nee, deze kennis is niet zo onomstotelijk als de informatie over de kritieke tijd/temperatuurverhouding voor voedselbederf. Sommigen van jullie zullen het zelfs totaal overbodig vinden dat ik nu begrijp hoe de oeroude ‘zigeunerlegging’ werkt. Maar voor al die anderen, kan ik straks wel mooi de tarot leggen!

Categorieën
Verhalen van de berg

Reisheimwee

Het was 5 uur in de ochtend en ik stond voor ons huis onder een pikzwarte koepel met duizend sterren. Het was nog nachtkoud en ergens fluisterde een krekel. Toen wist ik het weer, alles.

De reden dat ik daar zo vroeg stond, was prozaïsch. De jongste ging op schoolkamp naar Madrid en om geld te besparen hadden ze vijf dagen in vier gepropt. Waardoor de bus al om half vijf in de ochtend vertrok (‘kwart over vier aanwezig zijn, mama, niet later; maar ook niet eerder.’). Om kwart over vier waren alle kinderen er al, inclusief hun snikkende Spaanse moeders, dus was ik snel weer thuis.

Min tien

Toen ik uit de auto stapte, was het er meteen. Reizen! Alles voelde, rook en klonk naar reizen. Net als toen we nog in de Landrover woonden. Overdag was de wereld van ons, maar ’s nachts trokken we ons in die auto terug.
Het was, zeker in het begin en aan het eind van de reis, eigenlijk iets te fris om buiten te slapen in een open auto. Maar onze slaapzakken waren ingesteld op min tien, alleen je neus werd koud. We kropen dicht tegen elkaar aan, de kinderen in de daktent vlak boven ons, je hoorde ze zuchten, voelde ze draaien. Zo lag ik te luisteren naar de onbekende nachtelijke geluiden van dieren, van wind. Bij de eerste zonnestralen was alles warm en open, in de nacht hadden we elkaar. Een veilig hol.
Dat gevoel… ik had het gek genoeg minder op de plekken waar het picture perfect was, zoals die keer onder een baobab boom met volle maan of in een plotseling hippie-kampementje bij een vriendelijke zee.
Maar als het buiten nog onontdekt was en het land eerder van de dieren dan van de mensen – zelfs al waren die dieren vooral klein en kruipend – dan was het zeil van de daktent ondoordringbaar als de dikste muur. En terwijl ik daar vandaag stond onder de sterren naast de Landrover, kon ik het wéér voelen.

Black hole

Zoals in de film Interstellar gebeurt wanneer ze door het zwarte gat vallen: dat tijd en ruimte vloeibaar en oneindig worden en je hele wereld samen kan smelten tot een tijdloos moment in (in het geval van de film) een meerdimensionale meisjeskamer. Zo had ik om vijf uur ’s ochtends op de Andalusische campo de allesomvattende sensatie van mijn hele leven en liefde samengebald in een nooit-helemaal verdwenen Landroverhol in een zuidelijke nacht.

Categorieën
Verhalen van de berg

Het zwarte gat van Montefrio

‘Dat oude naaistertje? Nee, die is vertrokken, samen met haar kleine hondje. Haar man woont hier nog wel.’

Montefrio is een mikrokosmos. Bloem denkt zelfs dat iedereen die hier woont uiteindelijk terug te leiden is tot één stamboom. Voor veel mensen is de provinciegrens het einde. Misschien gaan ze heel soms een dagje naar Granada en wie weet een keer in hun leven naar Madrid of Malaga. Maar dat is het. Het is geruststellend en ook een beetje eng om te bedenken dat als we straks verhuisd zijn en over een paar jaar terugkomen, er nog steeds precies dezelfde mensjes over straat schuifelen in hun vaste rondje van de slager naar het postkantoor en terug via een van de talloze apotheken die dit kleine stadje rijk is.

Verdwenen

Maar Montefrio heeft ook een zwart gat, en heel soms heb je daar even zicht op. Neem de twee broers van het tankstation, die ook de schoolbus runnen: een boze en een lieve. Ze zijn er altijd, zelfs tijdens de siësta, het is hun tankstation en hun bus. De ene broer kan nooit ophouden met grapjes maken en lief kijken, de ander weet van de weeromstuit niet meer hoe dat moet, lachen, altijd somber en kwaaiig kijkt hij – alsof hij die lieve, leuke broer het liefst de bus uit zou rammen.
Tot op een dag alleen nog maar de lieve broer in de schoolbus zit. De andere broer is ‘weggegaan’. Niemand weet waarheen, niemand praat er verder nog over. Verdwenen, van de ene dag op de andere.
Of het mannetje van het postkantoor – helemaal nog niet zo oud – die de helft van de ochtend het briefje ‘ik ben aan het ontbijten’ op de deur geplakt heeft, zodat we daar collectief staan te wachten met onze brieven en pakjes. Ik verdenk hem er altijd van dat hij stiekem alle brieven leest, hij kent in ieder geval iedereen en weet op welke brief je wacht. Weg, ineens. Nu zit er een keurige jongen die elke keer mijn naam vergeet.
En vandaag is het dus ook de oude naaister overkomen. Oud en krom is ze, altijd bibberig van de kou. Ze haat haar altijdkoude huisje, loopt er meestal bij in een dikke duster, ziekelijk bleek. ‘Ze zei vaak: op een dag stap ik op de bus en ga ik hier weg,’ vertelt haar buurvrouw. ‘Kennelijk heeft ze dat nu ook gedaan. ‘
En dat is het. Haar hondje nam ze mee, haar man niet

Eindeloos ontbijten

Waar is die plek waarheen je vanuit Montefrio zomaar kan verdwijnselen?  Schijnt daar altijd de zon? Zijn daar geen onuitstaanbaar montere broers in buurt, kun je daar eindeloos ontbijten? En zullen de mensen straks ook zo over ons praten: ‘Die Nederlandse familie met al die blonde dochters? Ach ja, die zijn verdwenen, ja. Gewoon, weg.’

Categorieën
Verhalen van de berg

Golden lady

‘Ja, wen er maar aan, mijn tijd is gekomen. Ik heb me lang rustig gehouden op de achtergrond, maar nu is er geen ontkomen meer aan. Aan mij.’

‘A touch of rain and sunshine made the flower grow. Into a lovely smile that’s blooming.’ Deze tekst stond achttien jaar geleden op haar geboortekaartje. Golden Lady van Stevie Wonder is Bloems liedje.

Wander

Ze gaat cum laude afstuderen.Volgende week even wonen in Granada met haar vriend die speciaal voor haar hierheen komt. Eind van de maand naar Mallorca met alle Nederlandse eindexamenkids, trouwe vriendinnen van vroegere levens. Dan naar Amsterdam, werken op het strand of waar ze ook maar snel veel kan verdienen. Om vervolgens te gaan reizen met haar vriendin Karlijn, te beginnen met het carnaval in Rio en dan net zolang door tot het geld op is. Daarna misschien wel weer verder studeren aan de New York Film Academy of anders in Amsterdam, maar in ieder geval films regisseren want dat is haar droom. Niet voor niks laat ze deze maand op een verborgen plek een tattoo zetten uit Lord of the rings, haar lievelingsfilm: ‘Not all those who wander are lost.’
Achttien vandaag en ja, de wereld ligt aan haar voeten.