Categorieën
Verhalen van de berg

Het vrouwtje van het IJ

Over vijftig jaar, dan is ze er nog steeds. Bij een bepaald soort mistig weer, zie je dan zo’n schim achter het Centraal Station. Net het vrouwtje van Stavoren, alleen kijkt deze spookvrouw uit over het IJ, haar blik strak gefixeerd op één punt.

Mijn moeder werd 79 en ik vloog even naar haar toe. En weer zei ze wat ze me de laatste tijd ook bij ieder telefoongesprek zegt: dat ze zo blij is dat we terugkomen naar Amsterdam. ‘Niet dat ik het jullie niet gunde, integendeel. Maar ik ben wel heel gelukkig nu. Ik loop heel vaak naar het station, daar wandel ik dan doorheen en dan ga ik achter het station naar jullie huisje aan de overkant van het water staan kijken. Gewoon kijken. Er staat daar een bankje en daar ga ik soms zitten. En nog meer kijken.’

Zonzijde

De actieradius van mijn moeder is normaal een keurig rondje om het tehuis, langs de boekwinkel, de sigarenwinkel voor haar krantje wat ze toch niet leest, het cafeetje waar iedereen haar kent. Bijna niemand gelooft dat ze, wankelend en wiebel, helemaal naar het station gaat. Maar ze doet het! Deze zomer waagde ze zich zelfs af en toe op de pont en wiebeldewiebel over het sluisje. Zo stond ze een paar keer tot mijn grote verbijstering ineens in mijn achtertuin aan ‘de zonzijde van het IJ’ zoals Amsterdam Noord in een lied zo mooi wordt benoemd.
Een paar keer ging dat niet helemaal goed, gelukkig ving de ‘overwaterbuurvrouw’ (woord van Dunya) aan de andere kant van het sluisje mijn moeder dan op. Even was ik bang dat mijn moeder zou blijven komen, ook nu we allang weer in Spanje zitten.
Maar nee, nu loopt ze dus tot aan het IJ en kijkt naar de zonzijde.

Zelf weer in Spanje, is dat nu het beeld op mijn netvlies, terwijl ik uitkijk over de weidse olijfvelden.

Categorieën
Verhalen van de berg

Heerlijk liegen

‘Mam, kan je rond deze tijd al pieten op het dak verwachten?’
Wat klopt er niet aan deze zin?

Ze kan delingen maken die eindigen op het getal oneindig. Zonder enig probleem naar een extreem bloederige aflevering van Dexter kijken (zestien plus, waar heb ik dit mis laten gaan?). En haar lievelingsboeken van dit moment hebben echte kus-scènes erin, liefst lekker lang en verliefd. Dan zwijmelt ze weg in haar bed met haar hoofd onder de dekens.
Maar Sinterklaas bestaat, daar twijfelt ze geen seconde aan.

Droom

Het komt elk jaar terug. Zussen die hartstochtelijk tradities in ere houden. Een moeder die (bijna) niks leuker vindt dan de Sinterklaasintocht op tv kijken, met warme chocolademelk en zelfgebakken speculaas erbij. En niemand hier in Spanje om die jongste uit de droom te helpen.
‘Zullen we haar dit jaar dan maar mee laten doen met lootjes trekken?’ We kijken elkaar aan. Volgend jaar moet ze er echt aan geloven of nou ja – niet meer aan geloven is het natuurlijk. Ik kan dit schatje niet naar de eerste klas van een Amsterdams gymnasium sturen en dat ze dan rond december serieus gaat vertellen dat ze vannacht écht een piet hoorde op het dak. Dat zou een kamikaze-actie zijn en een keihard ontwaken uit de meest hardnekkige en misschien wel allerfijnste kinderdroom. Beter om het zelf te doen, met goeie zinnen als ‘Maar als het eenmaal december is geloven zelfs alle volwassenen stiekem weer een beetje.’  Dat hielp indertijd bij haar zus. Een beetje.

Laf

‘Nee, over een paar dagen gaan die pieten pas rondzwerven. Als het Sinterklaasjournaal begint,’  zeg ik tegen mijn elfjarige.
‘Maar je weet het nooit helemaal zeker,’  zegt ze kordaat. ‘Ik kan me maar beter een beetje netjes gedragen. En een brief aan sint schrijven dat ik écht niet al die dure cadeautjes van mijn verlanglijstje hoef te hebben. Alleen marsepein is ook al goed.’
Dus sta ik nu alweer met een brief aan Sinterklaas in mijn handen. ‘Ik bewaar hem voor in je schoen volgende week,’ zeg ik. En tegen haar zussen zeg ik dat ze de lootjes moeten gaan klaarmaken. Voor ons, niet voor hun zusje.
Laf misschien, maar ik kan het niet. Ik wil dat rotsvaste vertrouwen, dat argeloos blije kind. Nog even heerlijk liegen. Nog héél even…

Categorieën
Verhalen van de berg

Hairy high and low

De film Hair had eigenlijk in Spanje gemaakt moeten zijn.

En dan refereer ik niet aan de eeuwige gitaarhippies in Granada die al baarden hadden voordat de noordelijke hipsters die tot hun handelsmerk maakten – maar aan de vrouwen.

Lekker nonchalant

Nederlandse vrouwen hebben slordig haar. Ik geloof niet dat ik dat ooit nog anders kan zien. Grijzig, uitgegroeid, sliertig, en als ze het opsteken, is het altijd ‘lekker nonchalant’ met allemaal pieken eruit. Niet dat mijn eigen haar zoveel beter is, maar ik word wel voortdurend omgeven door Spaans haar. En dat is: perfect gekapt (Spaanse vrouwen gaan elke maand naar de kapper, crisis of niet), nooit grijs en bij de meisjes vooral heel erg dik en lang. Daar zijn ze dan ook eindeloos mee bezig, de stijltang hun grootste vriend. Het is de belangrijkste reden waarom je een Spaans meisje nooit door de regen zult zien fietsen. Ten eerste hebben ze geen fiets. En ten tweede hebben ze Dat Haar.

Drie maanden niet naar school

Voor mijn dochters is het diep frustrerend. Hoe lang hun haar ook groeit, het valt altijd in het niet bij dat van hun vriendinnen. Zodat ik gisteren nog met een stampvoetend kind in de auto zat (stampvoeten in de auto, ja dat kan) terwijl ze gilde dat ze een rechtzaak ging aanspannen tegen de dorpskapster die in plaats van de beloofde lengte van twee vingers maar liefst twaalf centimeter had afgeknipt. ‘Viel er ineens zo’n enorm lange lok bovenop het boek dat ik aan het lezen was.’  Bij Spaanse meisjes is dat niet erg, dat haar groeit sneller dan in Nederland gras, maar voor mijn dochter is het ‘terug naar de lengte van toen ik elf was. Ik ga drie maanden niet naar school.’
Mijn eigen troost vind ik zelf onmiddellijk in de supermarkt waar je zoals altijd eerst langs eindeloze schappen vol ontharingsprodukten moet. Want ja, dat Spaanse haar groeit dus overal. De schoonheidsspecialiste in het dorp draait erop, ze heeft altijd een megapan vol verse hars staan pruttelen en er zijn genoeg meisjes die vanaf piepjong al  door hun moeder worden meegetroond.  Snorren, doorgegroeide wenkbrauwen, vachtjes op de meest verrassende plaatsen – vergeleken daarbij hebben de Nederlandse vrouwen het een stuk makkelijker. Maar met al dat gladde vel zijn ze in mijn verspaanste ogen inmiddels wel een beetje… eh, bloot.

Categorieën
Verhalen van de berg

Dia de los muertos

Er liggen weer slangen op de weg. Daardoor weet ik dat de dag van de doden er aankomt.

Vandaag is het Todos los Santos hier in Spanje, of zoals ze in Mexico zeggen ‘Dia de los muertos.’ Alle winkels zijn dicht en alle kerkhoven zijn open. Ook hier in Montefrio zijn er vandaag meer levenden dan doden bij het kerkhofje op de berg tegenover ons. Het is een dag om je doden te bezoeken, graven schoon te maken, met elkaar te eten en het leven te vieren.

Mijn lieve doden

En terwijl ik slalom om een kronkelende slang te ontwijken die over de weg schiet, denk ik aan mijn eigen doden. Dat zijn er niet zoveel gelukkig. Mijn lieve grootje. Laura, buurmeisje for ever. Wim, voor wiens dochter ik ooit een olifantenboek schreef omdat die twee allebei zo van olifanten hielden. Bert, die voor eeuwig 49 gebleven is (en wat vond ik dat toen oud). En er is mijn oudste neef natuurlijk, die toen hij stierf even oud was als mijn oudste dochter nu. Het went nooit. Ik mis hem bij elk familiefeestje, verwacht hem altijd achterin de auto te zien zitten bij zijn ouders. Ja, er gaan ook weken voorbij dat ik niet aan hem denk, maar vandaag is hij weer springlevend, mijn lieve Jeroen. Ik was zo trots op hem, nee ik bén trots op hem. Kijk, hier was hij samen met zijn vader, net geboren:

Categorieën
Verhalen van de berg

Pioniers

Hij komt uit Napels en zij uit Madrid en het zijn de mooiste mensen die ik hier in tijden heb gezien. Een love story, maar vooralsnog zonder happy end.

Er was geen werk voor hem als kok in Napels en voor jonge mensen in Madrid is het misschien nog wel erger. Dus toen een familielid van haar zei: ‘Kom naar de campo, hier in het pittoreske olijfdorpje Montefrio staat nog wel een gebouwtje leeg, daar kunnen jullie je eigen restaurant beginnen.’ Toen deden ze dat.

Opaatje

We zijn de enige klanten, er hangt alleen een opaatje aan de bar. ‘We hebben één menu,’  komt de kok vertellen, ‘vandaag is dat spaghetti bolognese.’
We bestellen spaghetti bolognese. Dat duurt lang en in de tussentijd komt de eigenaresse, eerst vrolijk maar steeds grimmiger, vertellen hoe groot het verschil is tussen dit dorp en de stad. Dat ze Madrid verschrikkelijk mist, de hele dag door. Daar kan ik me natuurlijk van alles bij voorstellen. ‘Maar het is maar vijf uur met de bus,’  zeg ik. ‘En ken je onze vrienden van de bed and breakfast? Die komen ook uit Madrid.’ Ja, die zijn al in haar restaurant geweest en ja, dat van die bus weet ze ook natuurlijk. Maar toch…

Tranen

De pasta is spectaculair. In zoiets simpels verraadt zich de meester. Geen sprake van dat de Spanjaarden zo’n verfijnde tomatensaus zouden kunnen maken. Paella, boquerones, ham, allemaal heerlijk. Maar dit… Toch heeft de kok er een hard hoofd in. Even later komt hij bij onze tafel uitleggen dat de Spanjaarden niet onwelwillend zijn, maar wel behoudend. Ze kennen en willen geen pesto, geen ‘lasagne met amandelen’, en ze verkiezen altijd Spaanse wijn boven de Italiaanse. Ikzelf ben ook dol op Spaanse wijn, maar de Montepulciano d’Abruzzo die ik vandaag ingeschonken krijg (voor 1 euro 80 per glas) is de lekkerste wijn sinds maanden.
Ik zoek de hele tijd naar het Spaanse woord voor ’pioniers’, ‘Poco a poco,’ stap stap voor stap, zeg ik uiteindelijk tegen de kok. Dat klinkt een stuk minder heldhaftig en zijn mooie blauwe ogen lopen vol tranen. Hij gaat nog net niet handenwringen. Ja, ‘poco’  is langzaam in Montefrio.

‘Zullen ze het redden?’  zeggen Ilco en ik later tegen elkaar. Dan blijkt dat we los van elkaar besloten hebben om hier een traditie van te maken en elk weekend dat we er allemaal zijn in dit restaurant te gaan lunchen. Niet dat we de illusie hebben dat we dit verliefde stel daarmee kunnen redden. Wel omdat het lekker is. En omdat we, vrees ik, onverbeterlijke romantici zijn.

Categorieën
Verhalen van de berg

House for sale

Mijn man loopt met zijn camera door het huis. Door zijn ogen en met zijn talenten ziet alles er ineens heel anders uit. De kamer waar we altijd binnenkomen en verder niet veel anders doen (Chaia speelt er wel eens gitaar), dat is eigenlijk een salon. Onze keuken is reusachtig ineens, de master bedroom lijkt een hotel. ‘Ik kijk altijd met nieuwe ogen.’

Een mooier huis krijg ik misschien wel nooit. Met (even tellen) vijf badkamers, spannende verdwaalhoekjes, open haarden alom en overal olijfbalken. En dan heb ik het nog niet eens over de patio die alle cliché’s van een patio waarmaakt, het zwembad, het weidse uitzicht – erg belangrijk in de bergen. En ik ken werkelijk geen andere wc ter wereld met ingebouwde flamencomuziek. Degene die dit koopt (allemaal voor een Spaans prijsje) koopt tastbaar geluk. Nee, we gaan het niet aanhouden als vakantiehuisje. Te groot, te veel.

Nu kan ik twee kanten opgaan. Ik kan er nog meer een verkooppraatje van maken en eindigen met de site van de makelaar. Maar daar heb ik eigenlijk niet zo’n zin in. “It is so hard to leave—until you leave. And then it is the easiest goddamned thing in the world.” Dat is een citaat van mijn held John Green. Hoe zeker ik ook ben van het volgende avontuur waar we onze handtekening onder hebben gezet, het duurt nog acht maanden voordat we echt vertrekken. Dat is best lang om tegen een (virtueel) te koop-bord aan te kijken…

Nog meer foto’s:
https://www.flickr.com/photos/12966304@N00/sets/72157648146989667/

Categorieën
Verhalen van de berg

Kinderen houden niet van kunst.

‘Ongelooflijk dat je weg wilt van dat paradijs.’ Ik hoor het vaak, zelfs hier in huis soms. Ja, Montefrio is een vergeten mediterraan rafelrandje van Europa waar de granaatappels van de bomen voor je voeten rollen en je ‘s nachts op de veranda een boekje kunt lezen bij het schijnsel van de volle maan. Het licht is ongelooflijk en de lucht blaast je longen en je hoofd schoner en zuiverder dan waar ook ter wereld. Maar het is óók… dit.

Er was een vergadering op de basisschool, de kinderen van de zesde klas (groep acht) zouden op schoolkamp gaan. Dat is een heel groot iets hier, voor heel veel kinderen de enige keer in hun leven dat ze Andalusië uit gaan. Wellicht daarom zat het hele zaaltje vol.
‘Ik begreep er niks van,’ text de moeder van een Engelse tweeling uit Dunya’s klas me een paar uur later zorgelijk. ‘Waar gaat dat kamp eigenlijk heen? Iedereen praatte razendsnel en verwoed door elkaar heen, maar waarover???’
Vier dagen Madrid, kon ik haar vertellen, ergens begin mei. En ze wisten nog niet wat het zou gaan kosten. Dat kwam aan bod tijdens de eerste vijf minuten van de vergadering.

Macho

De vergadering werd geleid (nou ja) door de gymleraar, de beoogd kampleider. Een Spaanse macho – maar dan echt in alle foute betekenissen van het woord. Hij riep dat de kinderen naar de dierentuin zouden gaan, naar Bernabéu uiteraard, naar een of ander pretpark en iets met een stadstour.
‘En naar een museum natuurlijk.’ Ik dacht het, mijn man zei het toen ik het later vertelde en ik durf te zweren dat jullie dat ook allemaal dachten, al lezend. Waarschijnlijk zei iemand in de zaal zoiets want toen gaf de gymleraar deze ongelooflijke quote ten beste: ‘Nee, we gaan niet naar het Prado, dat wordt niks. Kinderen houden niet van kunst.‘
Ik keek om me heen of iemand zou gaan protesteren, mijn eigen bloed kookte te hard, maar wat ik zag: vrolijk gelach en instemmend geknik. En hup: het volgende onderwerp werd alweer ingezet. Een kleine geldinzameling voor het kamp want dat deden ze elk jaar. Met koekjes natuurlijk en niet zomaar koekjes: mantecados, koekjes die ik nooit heb begrepen, gemaakt van reuzel. Het volgende uur (en nee ik overdrijf niet) ging het alleen maar over wie de mantecados, hoe duur de mantecados wanneer de mantecados hoeveel mantecados. En daarna kwam De Loterij, met als hoofdprijs De Mand met Lokale Producten. Olijfboeren vlogen elkaar nog net niet in de haren rondom de vraag of er goeie dan wel heel goeie olijfolie in de mand moest, hun vrouwen begonnen weer over de mantecados en algauw ontstonden er twee wild schreeuwende kampen: zij die vonden dat de lootjes vijf en zij die vonden dat de lootjes tien euro moesten kosten.

Tegen die tijd was de moeder van de tweeling allang verbijsterd vertrokken en ook ik hield het niet vol tot het eind. Als je niet van mantecados houdt maar wel van kunst, kan je je zomaar een alien voelen hier. De kindjes van Montefrio hebben zelfs die keuze niet…

Categorieën
Verhalen van de berg

De gouden bal

‘Moet je nou huilen om een voetbal?’
‘Nee om een heleboel voetballen.’ Sommige dingen zijn niet uit te leggen.

De vriend van Trifon (ik vergeet steeds zijn naam) wordt elf en mijn jongste dochter is uitgenodigd. ‘Ik heb gevraagd wat hij wil hebben en hij zei een bal.’
Dat is makkelijk. Ik ken de jarige niet en bovendien: wat geef je aan een Spaanse boerenjongen die elf wordt? Een bal is duidelijk, het wordt er een die goud is met rood en met ‘España’  erop.

FC Barcelona

We weten ook al niet waar ergens in de campo de vriend van Trifon woont, dus Dunya is druk en gewichtig aan het app-en, totdat er een ouder is gevonden die het wel weet en vanuit het dorp gaat rijden met een auto vol uitgenodigde kindjes. ‘En Ana geeft trouwens ook een bal,’  zegt Dunya als we het dorp in rijden. Voordat ik kans heb daarop te reageren, zien we een klein jongetje met een bril aan komen lopen. Het is Antonio en aan de plastic zak in zijn hand te zien is zijn cadeautje ook een voetbal.‘Ga maar weg,’ zegt Dunya als ze bij Antonio gaat staan met haar gouden bal die niet is ingepakt (‘Nee natuurlijk niet, hij ziet toch al wel dat het een bal is’). Als ik wegrijd, zie ik her en der kindjes aan komen lopen en uit auto’s worden gezet. Op weg naar de vriend van Trifon: duidelijk te herkennen aan de voetbal in hun handen. Van FC Barcelona tot gewoon zwart-wit, in het lelijke inpakpapier van de enige speelgoedwinkel van het dorp, in tasjes… Tegen die tijd lopen de tranen al over mijn wangen.

Schildpad

Waarom vind ik het zo ontroerend? Misschien wilde de vriend van Trifon wel heel graag heel veel ballen, zei hij het daarom tegen iedereen? Misschien kan hij echt niks fijners bedenken? Maar toch, kennelijk raakt aan iets dieps. Het is mijn oudste dochter die me herinnert aan een verhaaltje dat ikzelf als kind schreef en dat zij een keertje heeft gevonden. ‘Iets met heel veel ToonTellegen-achtige dieren. De schildpad lukt het niet om een cadeautje te kopen voor de jarige egel, dus die plukt dan maar een hele grote bos mooie bloemen. Eenmaal op het feestje moet de egel bijna huilen als hij, net als de vriend van Trifon, steeds opnieuw hetzelfde cadeautje krijgt. Maar dan is daar de schildpad met zijn zelfgeplukte mooie bloemen en die redt het feest.’  Ik kan me geen woord van mijn eigen verhaal herinneren, maar toch, ik ben gerustgesteld. De campo is een beetje dor en droog op dit moment, maar voor wie goed zoekt zijn er altijd wel bloemen te vinden.

Categorieën
Verhalen van de berg

Ik ben zo blij dat ik u eindelijk heb gevonden

Ik dacht even dat ik op een schoolplein in Fez was. Maar het was gewoon Bos en Lommer.

Ik kan de ingang niet vinden, maar gelukkig staat er een groepje moeders voor de school te kletsen. Allemaal met hoofddoekjes en in lange djellaba-achtige gewaden.
‘Weten jullie waar…?’  Natuurlijk spreek ik ze aan in het Nederlands. Ze wonen hier, toch? Net als ik, eenmaal in de klas, van de kinderen verwacht dat ze Nederlandse verhalen met me lezen en schrijven. Later zie ik een of ander vertelproject in de lerarenkamer, waar kinderen voor hun moeders als tolk moeten optreden, dat ziet er moeizaam uit. Kom op moeders, leer die taal!
Maar eh… zelf ben ik net zo.

Blunders

Terug in Spanje gebeurt het voor de eerste keer dat ik een berichtje van mijn dochter in het Spaans krijg, iets wat ik voor haar school moet kopiëren (geloof ik). ‘Watwatwat?’ schrijf ik terug, geen idee wat ‘grapar’  is. ‘Zeg gewoon tegen de man van de winkel wat er staat, zo moeilijk is het niet,’  krijg ik terug.
De eerste keer dat ik de telefoon aan een van mijn dochters gaf (‘wil jij met deze telefonische servicedienst praten, ik begrijp er niks van’) voelde nog als een nederlaag, tegenwoordig is het een heerlijke smoes om stomme gesprekken te delegeren. Ook word ik regelmatig, gevraagd en ongevraagd, behoed voor blunders. ‘Mam, je schrijft nu aan mijn griezelige mentor dat je zo blij bent dat je hem eindelijk gevonden hebt, alsof het een soort geliefde is. Bedoelde je soms ontmoeten?’
Terwijl zij steeds vloeiender worden, blijf ik hopeloos achter. En nee, ik mag NIET plat Andalusisch van ze praten zoals mijn jongste dochter, dat is genant. Maar ach, vind ik het zelf niet ook altijd een beetje lachwekkend als een Markokkaanse moeder een zuidelijke zachte g heeft?

Olé Bloem

Zelfs de stopwoorden en body language zijn Spaans hier in huis. Chaia groet vanuit de auto voorbijgangers door haar hoofd half in haar nek te gooien, dat krijg ik zelf niet voor elkaar. Maar als ik wel zoiets doe, is het ook niet goed. Zo ben ik echt vertederd wanneer Spanjaarden, jong en oud, écht het woord olé gebruiken als iemand iets goed doet. Maar als ik bij een goed cijfer ‘olé Bloem’  zeg, krijg ik slechts gepijnigde blikken terug. Nee, het valt niet mee om een immigratiemoeder te zijn.

Categorieën
Verhalen van de berg

In Amandelland

Ik pluk amandelen en voel me Winston Churchill.

Terug in Spanje na de kinderboekenweek. Hier is het gewoon amandeltijd. Schud of sla een boom leeg, bevrijd de amandelen van hun eerste schil, laat ze drogen. Tot daar ben ik gekomen, mijn grootste paellapan vol. Dat is nog niks, nu moeten ze nog gekraakt. Amandelen hebben de hardste schil van alle noten maar gelukkig hebben we hier in Amandelland ook de hardste stenen van de wereld, het is een kwestie van stevig slaan. Ik ben het na een uurtje al zat, een boerin van niks.

Tiran

Na al dat gepraat over boeken en schrijven wil ik eigenlijk gewoon mijn boek afmaken. Maar al schrijvend ben ik blijven hangen in de eennalaatste fase, volgens de logica van Winston Churchill. Zo herkenbaar: ‘Writing a book is an adventure. To begin with it is a toy and an amusement. Then it becomes a mistress, then it becomes a master, then it becomes a tyrant. The last phase is that just as you are about to be reconciled to your servitude, you kill the monster and fling him to the public.’
Ik krijg mijn boek niet af en ik krijg het niet van me weg. Dus ram ik nog maar eens hard tegen de takken van de boom voor me en krijg meteen een regen van amandelen over me heen.
Als je ze gekraakt hebt, moet je ze nog roosteren of malen, maar dat is een makkie. Wie komt me helpen? Dan maak ik amandeltaart voor je…