Anna van Praag boeken en verhalen
Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Soms worden je wensen zo snel vervuld

Onze kleine houten ‘houseboat’ schommelt zachtjes op de pikzwarte oerwoudrivier. In de bomen zingen de gibbons, snerpen de krekels. Grote blauwe vlinders cirkelen boven de houten tafel op het dek waar we zo gaan eten. Alles is zo vredig, zo puur. Regenwoud na de regen.
Dan begint de boot ineens woest  te dansen als er een razenbde speedbooot voorbij knettert. Ik zie een flits van een vrouw in de boot, met lange wapperende haren. ‘Daar gaat ze,’  wijst de kapitein, ‘de professor die je zo graag wilde ontmoeten.’

Ik werd ongeveer net geboren toen een onderzoeker in Kenya de wereld overtuigde van het belang van mensapen. Als niemand iets deed, zouden ze snel uitsterven – na soms wel tien miljard jaar in het regenwoud te hebben geleefd. ‘Het zijn de vrouwen die dit moeten veranderen,’ zei de professor, ‘die zijn zachter en geduldiger en maken de mannetjesapen niet agressief.’ Drie van zijn studenten koos hij uit voor deze enorme klus.

Dian Fossey ging naar de gorillas in Rwanda. Een succesverhaal, want de gorilla’s zijn inmiddels beter beschermd dan toen. Maar ook heel dramatisch: uiteindelijk werd Dian Fossey zelf uit de weg geruimd door de stropers die ze zo hard bevochten had. Genoeg materiaal voor een Hollywoodfilm en die kwam er ook: Gorillas in de mist.
De tweede studente, Jane Goodall, nam de chimpansees op zich. Tot aan de dag van vandaag reist ze over de wereld om hun zaak te bepleiten. Nog niet zo lang geleden was ze in Nederland: een heerlijke, wijze vrouw, nog steeds.

Helden

Over Dian Fossey schreef ik al toen ik bij de gorillas was (‘No one loved gorillas more’ – zie het Afrikablog), maar nu raak ik in de ban van de derde vrouw, de Canadese Birute Galdikan. Want we zijn in Borneo bij haar labour of love: het beschermingskamp van de orang oetang.  Wat de onderzoekers op Sumatra voor de zeeschildpadden deden, doen ze hier voor de orang oetang. Monitoren, beschermen, helpen als het moet. We zien hier nog meer orang oetangs dan op Sumatra, spelend, brommend, slapend, met piepkleine baby’tjes aan de borst. En overal zie je fijne foto’s en oude covers van de National Geographic met daarop een beeldschone vrouw met lange haren, in innige omhelzingen met orang oetangs. Dit soort vrouwen zijn mijn helden en het verhaal van Birute wordt ook meten een film in mijn hoofd.Hoe dit meisje hier aankwam over de zwarte rivier, al haar bezittingen in een kano, hoe ze het oerwoud temde en de orang oetangs juist vrij maakte. ‘Leeft ze nog?’ vraag ik, denkend aan Dian Fossey. Maar ja, dit meisje is inmiddels een stoere jungle lady van begin zestig die professor is in Californie. ‘Maar daar is ze nooit. Ze woont  heel diep in het oerwoud, waar toeristen niet kunnen komen, midden tusen een groep van 350 wilde orang oetangs.’

Koningin

Ik zou haar wel willen ontmoeten, peins ik dromerig vanaf ons rivierbootje. Zo’n vrouw met 1 grote passie waar ze haar hele leven aan gewijd heeft. Die de ijdelheid en de wereld niet nodig heeft omdat haar wereld de orang oetangs zijn. Die vast nooit meer bang is, zo stoer…
Soms worden je wensen zo razendsnel vervuld dat je er bijna bovenop moet springen. Even later sta ik zomaar als een groupie te poseren naast mijn kersverse heldin.
‘Is dat haar?’  vraagt Chaia. ‘Zo lelijk?’
‘Ze is niet lelijk,’  lieg ik, ‘ ze is… getekend. Je ziet gewoon dat ze een heftig leven heeft gehad. Zelfs nu ze zo beroemd is.” Want iederen in de buurt van Birute Galdikan behandelt haar als de koningin. Zo praat ze ook: mijn oerwoud, mijn rangers, mijn apen.  En tegelijkertijd zie je dat ze zo snel mogelijk weer weg wil. Dat al die mensen, al die aandacht, haar enorm veel energie kosten. Verder dan een blik, een handdruk kom ik niet. O ja, en een compliment: dat mijn echtgenoot, die leuke fotograaf, zo handsome is...
Tsja. Sommige dingen zijn echt universeel.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Nature comes at her

Dunya klimt als een aapje in een gomboom, valt omlaag en kneust haar pols. Ze duikt in een stroomversnelling en schaaft haar buik. ‘Dat komt door haar naam,’  zegt de oerwoudgids. ‘Je weet toch wat Dunya betekent? Nature comes at her. Daarom valt ze en wordt omgegooid en geprikt. Maar uiteindelijk wordt ze vrienden met de natuur en gaat ze erin op.’

We zwoegen door het oerwoud van Sumatra. Nee, niet waar. Ilco en de meisjes klauteren soepel berg op en berg af, ikzelf lijk meer op Pudding Tarzan. Overal zweet, trillende spieren, hijgend en puffend.
De tijger woont hier, een stuk dieper het woud in, maar toch. Onze gids heeft hem wel eens gezien. ‘En daarna was ik een week ziek. Van angst.’
Een groot ontzag hebben ze voor de tijger – en niet alleen de mensen. Oerwoudraadsel: waarom slapen apen ’s nachts het liefst bij de rivier? Omdat ze dan, door het geluid van het water, de tijger niet horen brullen. Want als ze dat wel zouden horen, vallen ze zo uit de bomen van pure schrik.
Goed, apen zijn hier in ieder geval overal. Zingende gibbons, chagrijnige bavianen, brutale makaken. En oerang oetans. Alleen hier en in Borneo leeft deze grote mensaap nog in het wild, verder nergens ter wereld. Ze worden goed beschermd, er is zelfs een reddingscentrum.

Een hele grote aap

We hebben al vijf orang oetangs gezien, hoog in de bomen, als we stoppen om middenin het oerwoud te gaan eten en slapen. Dan gebeurt het.
Ik verslik me in mijn nassi als er ineens een hele grote oranje aap op me af komt stormen. Een orang oetang! Er ontstaat paniek, maar dan blijkt dat de aap het niet op ons maar op ons eten heeft voorzien. De oerwoudgids herkent haar. Deze aap is, omdat haar eigen moeder dood was, opgegroeid in het reddingscentrum en daarna weer in het oerwoud uitgezet. Dat is goed gelukt, ze heeft nu zelfs een baby-aapje op haar rug. Maar ze is dus niet bang voor mensen.

Spelletje

In alle consternatie heb ik even niet op Dunya gelet. Ineens zie ik haar vlak voor de enorme aap staan. Ik schrik, maar de gids houdt me tegen als ik op haar af wil stormen. De moederaap is niet boos, alleen maar hongerig. En Dunya kijkt ook niet naar haar, maar naar het baby-aapje op haar rug – dat al net zo geinteresseerd naar Dunya staart. Dunya, normaal zo beweeglijk en druk, staat heel stil. Ze zakt op haar hurken om op dezelfde hoogte als de baby te zijn. Dan, na een behoorlijk lange tijd, pakt ze een klein stokje en steekt dat uit naar de kleine aap.
‘Voorzichtig,’  piep ik. Maar de aap pakt het stokje meteen aan en gooit het in de lucht. Het is een soort spelletje dat ze een paar keer herhalen. Ondertussen loopt de moederaap ook nog heen en weer, pakt hier een banaaan en daar een ananasschil van de grond. Als ze verder niks te eten vindt, begint ze weer weg te lopen. Dunya loopt mee, nog steeds heel rustig en starend naar het kleintje. Terwijl ik nog sta te bibberen van de close encounter, zie ik ineens hoe het baby-aapje, nog steeds op de rug van zijn moeder, zijn kleine armpje uitsteekt. Dunya aarzelt niet, steekt ook haar hand uit. Bijna plechtig drukken die twee elkaars hand. Dan verdwijnt de orang oetang weer in het oerwoud.
‘Voortaan zullen we dit aapje, als we haar weer zien, Dunya noemen,’  zegt de gids.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Zie je dat mama?

Niet alleen gaf de gratis computer van de Kentucky Fried Chicken in Medan mij een griezelig virus (sorry aan iedereen die ik zonder het zelf te weten mailtjes over afslankdruppels heb gestuurd) maar ook iets veel ergers: een ongeluksmail.

Mijn oude moedertje is ingestort. Wat al heel lang in de lucht hing, gaat ineens razendsnel. Beginnende dementie, ze moet worden opgenomen.
Er zijn evenveel redenen om naar Nederland te gaan als om hier te blijven. Omdat mijn zus nu twee dochters tegelijk is, is er een keuze.  Dank je wel, lieve Nanda!
Voorlopig blijf ik hier. Op reis. Bij mijn gezin.

Schildpadden redden

We maken een lange tocht naar het schildapddeneiland waar ik STOP HOU OP over schreef. Ik heb dat verhaal stiekem gesitueerd op een ander schildpaddeneiland bij Guinee Bissau. Dit is anders! Ruiger, misschien wel meer vechten tegen de bierkaai. Stropen gebeurt nog volop, de eieren worden direct nadat ze door de moederschildpad zijn begraven, weer opgegraven. Door enorme varanen die op krokodillen lijken. Maar ook door vissers die ze verkopen of opeten. Lekker eitje – en je wordt er ook nog eens omnipotent van. Net als in Afrika gaan we ’s nachts met de onderzoekers op patrouille. De meiden mogen helpen de schilden op te meten en met rode lichtjes schijnen ze in de kuil waar de eitjes als glibberige pingpongballen uit de schildpad rollen. Lichtgevend plankton op het zand, verre bliksem in de lucht – en dan ook nog eens schildapdden redden, die verstrikt zitten in het wier. En eieren herbegraven, op geheime plekken.
De volgende ochtend gaan we weer. Varanen wegjagen.

Een wild wijf met een aap

Later varen we urenlang langs de vijftig eilanden van Pulau Banyak, die stuk voor stuk picture perfect vanuit de turquooizen zee naar ons wuiven met hun palmbomen. Er is ook nog even spektakel als Dunya door reuzengolven gegrepen wordt en in een onderstroom terechtkomt. Ik moet keihard rennen over het strand om haar bij te houden, terwijl de rest van mijn familie stuk voor stuk met kleren en al achter haar aan duikt. Voor mijn geestesoog verdrinken ze allevier… Mijn geestesoog is verschrikkelijk; een enorm grote golf smijt ze allemaal weer naar mij toe.
Die avond is de zee spiegelglad en slapen we op een onbewoond eiland in een tentje. Net als de kleine prins op zijn planeet, zien we zonsopgang en zonsondergang op dezelfde dag, gewoon door naar de andere kant te lopen. Met die zon is ook iets wonderlijks aan de hand: eromheen zijn twee regenboogkleurige ringen te zien. Heet dat niet halo? Het draagt in ieder geval bij aan de magie.
Net als het vrouwtje met de aap. Hoezo onbewoond? Er is hier een wild wijf die de hele dag kokosnoten splijt. Op het strand voor haar ligt inmiddels een enorme berg, klaar om te eten – voor niemand. Ja, de aap naast haar, die eet zich suf.
Die avond worden we helemaal lek geprikt door de muggen.

Eindeloos varen

En al die tijd praat ik in mijn hoofd tegen mijn moeder. Mijn lieve moedertje die lang een zwak had voor schildpadden. Ze spaarde er miniatuurtjes van en ook kocht ze steeds zielige levende schildpadden in de dierenwinkel. Ze praatte met ze , dan werden ze zo groot dat we ze naar Artis moesten brengen. ‘Zie je je kleindochters nu ook schildpadden redden?’  vraag ik zonder woorden. ‘En mama, zie je hoe mooi de lucht is: de zon die wolken paars en oranje maakt?’ Van mijn moeder heb ik geleerd om naar de lucht te kijken. ‘Dat is mijn religie,’  zegt ze altijd.
En als Dunya weer veilig uit de zee is, stel ik ook mijn moeder gerust (‘Ze heeft een beschermengeltje, dat weet je toch’) zoals ik haar al zo lang geruststel.
Maar nu dus niet.  Niet waar ze nu is.
‘Geniet van je reis, kom niet terug,’  zegt mijn moeder op haar heldere momenten door de telefoon. Want ook dat heb ik van haar geleerd: niets is zo waardevol als de intimiteit van reizen met je gezin. Op een gegeven moment moet ik denken aan een van mijn lievelingsboeken van Garcia Marquez. De wereld waarin de twee geliefden uit dat boek opgroeien, is naar en onmogelijk. Uiteindelijk vinden ze elkaar op een veerbootje dat eindeloos heen en weer blijft gaan. Ze stappen nooit meer uit.
Ik zit met mijn man en mijn meisjes in een bootje op de oneindige zee en ik wil nooit meer ophouden met varen.

Categorieën
Indonesiëreis Verhalen van de berg

Poepen in het paradijs

‘Mam,’ roept Dunya enthousiast, ‘ik ruik natuur!’ We zijn dwars door het oerwoud van Sumatra gereden naar een piepklein dorpje aan zee. Daar wonen we nu, in een hutje onder de kokospalmen.

Kippen op het strand en geiten op de ontbijttafel. Een lauwe zee met vissersboten erin. Geen toerist te bekennen, geen reclame, zelfs geen blikje cola. Geen nieuws ook. Is de Spaanse economie al ingestort? Heeft Jowi misschien de zilveren griffel gewonnen? We weten het niet. Ja, voetbal, die standen krijgen we door maar dar worden we ook niet echt bij van. De vissers vissen, de kinderen spelen. En elke dag komt de gouden bruid voorbij met een sliert muzikanten en glinsterend uitgedoste vriendinnen die de rijst dragen. Elke dag? Ja, een huwelijk duurt wel twee weken bij de Minangkabau, zoals dit volk hier heet.  Ze hebben andere gewoontes dan wij. Zo moeten we onze schouders bedekken en zwemmen met hempjes en broekjes aan want bikini’s zijn onfatsoenlijk. Tegerlijkertijd hurken ze zelf rustig neer in de branding om voor onze ogen te gaan poepen. Voor ons is er een ‘europees toilet’ boven een gat in de grond, maar zelf doen ze niet zo moeilijk. ‘Iew er drijven allemaal drolletjes in de zee,’  gruwen de meisjes. ‘Gewoon een stukje verderop zwemmen, de zee is groot genoeg,’ zegt Ilco, monter als altijd.

Waterval

We varen naar onbewoonde eilandjes en maken een wandeling (zeg maar gerust een ’track’ ) door de rijstvelden en het regenwoud. De meisjes klauteren als aapjes, ikzelf glibber door de modder en val ook nog een keer ondersteboven in een rijstveld. Het blijft verbijsterend hoe ik omringd ben door vier van die idioot sportieve types.
Maar de beloning van de ruige tocht is groot: een enorme waterval om in te zwemmen en te duiken.
Eenmaal teug bij ons hutje zijn we al weer heet en bezweet. De meiden duiken meteen de Indische Oceaan in om in de hoge golven surfen te leren van de plaatselijke dudes.
‘Wijntje? Pina colada?’  vraag ik aan Ilco maar zelfs dat is er niet.
‘Dan ga ik ook maar sufen,’  zegt Ilco en weg is ie.

Een onbegrijpelijk boek

Ik blijf achter op het strand, omring door twintig Minagkabau kindertjes die aan mijn neus willen voelen.
Geen wijn, geen boek zelfs. Ja, een boek dat ik op het vliegveld heb gekocht en dat zo ingewikkeld is (zeg maar gerust onbegrijpelijk)  dat ik al zeker zeven keer opnieuw ben begonnen. Of ligt dat aan mij?
‘This is the evening of the day,’  zingt Marianne  Faithful in mijn hoofd. Zitten en kijken. Dat is nog best een kunst.
‘Dus je voelt je een beetje als een drolletje in de grote zee?’ conludeert Ilco, die als een druipende god ineens weer naast me staat. ‘Zie je trouwens die buffels door de branding hollen?’ Hij grijpt zijn camera en is meteen weer de fotograaf waar ik zo van hou.
Buffels in de branding, inderdaad. Ik leg mijn onbegrijpelijke boek opzij en kijk.

Categorieën
Verhalen van de berg

Koelbloedig als Dexter

Ik weet niet of ik het nog kan – reizen. Morgen gaan we naar Sumatra, maar volgens mij naar een rare plek. Hoe heb ik dat ooit kunnen boeken?

Reizen zonder Landrover is anders. Hoe komen we zo snel mogelijk weg bij die rare stad? Moeten we dan ‘s avonds nog naar dat gevaarlijke busstation? En waarheen dan? Met de auto stop je vanzelf waar het er goed uit ziet, nu moeten we, voor een zachte landing, eigenlijk al een eindstation weten. Toch?
‘Twee maanden naar Indonesie, wat afschuwelijk!’  gillen de slome slagerinnen van Montefrio in koor, ‘en dat terwijl het hier zo heerlijk zomers is.’ Tjsa, net nu zijn de kersen rijp. En de abrikozen bijna, wie gaat die straks opeten?
Dan zijn wij zelf in het regenwoud, midden tussen de beesten, durf ik dat eigenlijk nog wel?

Help!

Veel tijd om erover na te denken heb ik niet. Eerst moeten we hier nog van alles oplossen. De zwerfhond bijvoorbeeld. Chaia heeft de reddingsdienst gebeld en daar staan ze: twee heldhaftige vrouwen met een autootje en een gigantische portie dierenliefde. Samen met Chaia temmen zij de schichtige hond die nu al weken door mijn dochters in leven wordt gehouden. ‘Kijk uit dat ie niet bijt’  gil ik bezorgd vanaf een afstandje. Hondsdolheid, ziekenhuizen, daar heb ik allemaal écht geen zin in nu.
Het duurt een uur. De dierenredders zijn onvoorstelbaar lief en geduldig. Ze zien dat de zielige zwerfhond -die inmiddels Samantha heet- eigenlijk een doodsbang, mishandeld puppie is en nemen alle tijd. Stapje voor stapje. Ik vis een hamburgertje uit de pan om te helpen lokken, maar durf zelf niet dichtbij te komen.
Dan hoor ik de dierenredders en ook Dunya gillen. ‘Help, help!’  Dus toch.
Ik kom aanrennen, maar het is Samantha niet. ‘Een slang!’  Door mijn huis schiet een giftige slang. Zonder erbij na te denken grijp ik een bezem, een grote steen. En terwijl de anderen de hond kalmeren, vermoord ik de slang. Ik sla en sla, twee kronkelende stukken – en dan is ie dood.Koelbloedig als Dexter ben ik, het doet me denken aan die keer met de giftige schorpioen in de nacht.  ‘Jij durft!’  zuchten de dierenbeschermers vol bewondering.

Reisblog

Goed dan. Ik durf. Tot half augustus verandert dit blog weer in een reisblog: minder frequent, maar exotischer. De rugzakken staan klaar, de paspoorten, de Lonely Planet, de malariapillen, meer is ook eigenlijk niet nodig.We gaan weer op reis!

O ja, en wie ook een Spaanse zwerfhond wil redden: http://chuchos-gr.org/eng/

Categorieën
Verhalen van de berg

Proudly presents

‘Een mooi boek over een bijzondere vriendschap. Je kunt met een gerust hart op reis gaan.’
Daar is ie dan, het mailtje waar ik zo ongeveer elk uur naar uit zat te kijken!

Dat de laatste versie evenwichtiger is geworden en dat alles nu op zijn plaats valt. Dat schrijft de uitgever. En hij schrijft ook nog ‘chapeau!’  (mag ik dat herhalen? Ja dat mag. Op je eigen blog mag je opscheppen zoveel je wilt).
‘Ben je blij?’  vraagt mijn dochter. Want ik staar een beetje wezenloos naar het scherm.
Het is vooral gek. ‘Ik wil mijn boek terug,’  zeg ik tegen Bloem – die  nu op haar beurt glazig begint te kijken. Maar ik vind het zo raar dat het toch ineens af is, na twintig maanden keihard schrijven.
Ik drink een paar glazen wijn achter elkaar, maar daar word ik alleen maar slomer van. ‘Hoera!’  sms-t Ilco uit Nederland en ik denk: o ja. En dan val ik zomaar op de bank in slaap.
‘Drie dagen wennen aan het idee en dan  sluipt de rust en blijdschap binnen,’  zegt schrijfvriendin Jowi wijs.
Goed, ik had me dit moment met meer tromgeroffel voorgesteld, maar hier is ze dan, mijn veertiende boek, mijn lieveling. Vanaf september in de winkel:

Categorieën
Verhalen van de berg

Schattige nerds

‘Alle kinderen in een rij, op afroep van je naam naar voren komen, identiteitskaart in je linkerhand.’  We zijn bij de universiteit van Granada, waar mijn dochter van dertien rekenexamen doet. Ik kijk mijn ogen uit. Niet naar de kinderen, naar de volwassenen.

Ilco heeft het mij de avond ervoor nog vrij ontluisterend uitgelegd: ‘Dit is gewoon een handige economische actie. Selecteer de slimste kinderen van het land en bind ze zo jong mogelijk aan je. Dat zijn de uitvinders van de toekomst, geen enkel land kan zonder ze – zeker Spanje niet.’

Harig

Moet Chaia Spanje gaan redden? Samen met al deze andere door hun school uitgekozen kids van twaalf en dertien jaar oud? Ik zie ze dapper de collegezaal in gaan om een idioot moeilijke wiskundetest te maken en ik voel een diep medelijden. En een grenzeloze bewondering, dat ook.
Zelf moet ik met de ouders in een andere zaal, waar een karikatuur van een oude wiskundeprofessor (kaal, brilletje) en een karikatuur van een jonge wiskundeprofessor (harig, brilletje) de ouders aanraden niet boos te worden als hun kind de test niet haalt. ‘Er zijn negenhonderd kinderen geselecteerd en alleen de vijftig allerbesten gaan door.’
Vervolgens barst het spervuur los. Wanneer horen we de uitslag? Zijn er ook herkansingen? Krijgen meisjes voorrang? Krijgen kinderen uit Granada voorrang? Krijgen ze straks voorrang op de universiteit? De ene ouder is nog fanatieker dan de ander. Per kind zijn er vaak twee, soms is ook de oma mee, maar allemaal hebben ze van die strenge, verbeten gezichten. Het zal de crisis zijn, sus ik mezelf, dit is misschien de enige zekerheid op werk voor hun kinderen. Maar niemand vraagt: ‘Is het eigenlijk leuk, dat ze om de zaterdag naar de universiteit moeten en wordt er ook wel een beetje gelachen in dit ouwe, grauwe gebouw?’ Zo heet en zo donker, nog even en ik stik.

Wiskundemeisje

‘En?’ ‘En?’ De aasgieren stormen op de kinderen af. Chaia komt als een van de laatsten naar buiten, wat bekent dat? Is ze in paniek geraakt door die stomme stress om haar heen?
Maar daar is ze al, vrolijk en wel. ‘Heb je al die nerds gezien? Schattig he?’
In twee uur heeft ze drie van de vijf opgaven kunnen ontraadselen, vertelt ze. Ik vind het enorm knap. Dat moeten we vieren en Chaia weet al waar: ‘Nu we toch in Granada zijn… ‘
Dus sta ik even later met mijn wiskundemeisje in de enige echte flamencowinkel. Overal jurken als suikerspinnen, ruches en bloemen, rood en zwart. De zomerfeesten komen er weer aan dus overal draaien vrouwen rondjes in de meest geweldige gewaden. Dit snap ik, heel goed zelfs. We gaan nooit meer weg, zelfs ik hul me in een sobere jurk (‘een oefenjurk’  zegt Chaia). Zal ik die kopen voor de boekpresentatie van Kom hier Rosa? Chaia krijgt een nieuwe waaier, nieuwe schoentjes (‘semi-professioneel, zie je dat?’), een hoge kam, een hoed en vooruit, ook maar een nieuwe stippeltjesrok. Ze danst ermee door de winkel. Viva la Chaia!

Categorieën
Verhalen van de berg

Bobbeltjespapier

‘Ik pak je in in bobbeltjespapier,’ zeg ik tegen Dunya.

Ze is weer eens gevallen en zit op de grond keihard te huilen. En ze was nog wel zo vrolijk aan het rondhuppelen met haar nieuwe rode grotemensenrugzak op haar rug. ‘Ik ga op reis, ik ga op reiheis!’
Een beetje erg wild huppelen eigenlijk, een steeds woestere indianendans. Totdat ze struikelde over een andere rugzak van een van haar zusjes en tegen de muur knalde. Een kamer verderop hoorde ik de bonk nog.
‘Het is precies op die andere bult van gisteren,’  snikt ze.
‘Nee, ernaast.’  Haar hoofd lijkt wel een maanlandschap.
En terwijl ik haar stevig omhels, zeg ik het. ‘Je weet wel, van dat bobbeltjespapier voor breekbare pakjes. Daar rol ik je helemaal in van top tot teen.’
Even lijkt Dunya er serieus over na te denken. Dan veegt ze haar tranen weg en schudt haar hoofd. ‘Als je me niet vrijlaat, kan ik je ook geen zoenen geven,’  zegt ze wijs. En daar gaat ze alweer – op naar het volgende avontuur.

Categorieën
Verhalen van de berg

Klaprozen!

‘Kijk eens, ik heb een stekkie. Voor jou.’  Het vrouwtje van bovenop de berg lacht haar gele stompjes bloot, zonder haar onafscheidelijke sigaret uit haar mondhoek te halen. ‘Je moet ze veel water geven, er komen mooie bloemen aan.’
Ik pak iets aan dat eruit ziet als brandnetels en ze scheurt ervandoor in haar sputterende autootje. Somber staar ik naar het groene bosje.

Dit is het zoveelste stekje van het bergvrouwtje dat ik ga laten verpieteren, dat weet ik nu al. Het wordt steeds penibeler als ze een keer onverwacht mijn patio komt bezoeken.Plantjes, tuinieren, zelfs het simpele gebeuren van watergeven met een gieter – daar word ik behoorlijk ongelukkig van. Dat wij zo’n gezellig bloeiende patio hebben vol met rozen, geraniums en bougainvilla heeft niks met mij te maken. Planten zijn bang voor mij – en terecht.

Al het rood van Spanje

Maar klaprozen, dat is wat anders. Die groeien zomaar uit zichzelf overal. Vooral op rare rommelige grond, vuilnisbelten bijvoorbeeld. Zelfs in loopgraven. Je kunt ze niet kweken, je hoeft ze geen water te geven en als je ze plukt gaan ze meteen dood.
En niets is zo mooi als het klaprozenveld voor ons huis.
Vandaag zegt mijn liefje ineens: ‘Doe een rode jurk aan aan en stift je lippen. Ik ga je daar nú fotograferen.’
Het is een geweldige smoes om door de klaprozen te waden, op hakjes nog wel, erin te gaan liggen, te doen alsof het een zee is. Al het rood van Spanje om me heen. Ik zwaai naar passerende motors op weg naar het crossveldje en lach naar de leukste fotograaf van de wereld. Topfoto’s,nu al.
Hoe zat het ook alweer? Is de klaproos niet het symbool van Hypnos, de god van de slaap? Een droombloem, een roesbloem…
Later zoek ik het op. De klaproos is een algemeen symbool voor troost, slaap, dromen ‘en ook voor hoogmoed en vergankelijkheid van de aardse glorie.’
Ha, hebben wij die glorie even mooi gevangen.

Categorieën
Verhalen van de berg

Bestanden met fouten

‘Bestanden met fouten kunnen niet worden geüpload’. O nee! Dit is mijn manuscript, misschien wel de definitieve versie, die ik ritueel en feestelijk naar de uitgever wil sturen – dit mag niet misgaan.

In Afrika crashte er elk halfjaar een laptop. Door de hitte, het vocht, de rare schokkerige elektriciteit. Misschien daardoor ben ik enorm paranoïde met het bewaren van mijn verhalen. Jarenlang werkte ik alleen maar op een stickje. En dan nog sloeg ik het verhaal waaraan ik werkte één keer in de week op in een map en ook nog op mijn bureaublad. Nog steeds mail ik elke week mijn boek in progress aan mezelf, zodat ik altijd ergens de laatste versie van mijn verhaal in cyberspace heb zweven.

Uitgeschraapt

Daarom schrik ik niet heel erg nu de computer raar doet. Een week werk kwijt, dat is het ergste wat er kan gebeuren. Maar irritant is het wel. Ik voel me zolangzamerhand een vanillestokje waar alle kleine zwarte zaadjes uitgeschraapt zijn. Het schrijven en schrijven aan Kom hier Rosa houdt nooit meer op lijkt wel. Nog elke dag, elk uur, verander ik dingen.
Maar aan de andere kant: het moet nu maar eens afgelopen zijn. De eindredactrice staat in de startblokken, deze zomer wordt het gedrukt. Het opent de najaarsaanbieding!
Bestanden met fouten – hoezo fouten? Waar bemoeit die computer zich eigenlijk mee?
Zuchtend ga ik terug naar mijn verhaal, sla het opnieuw op, en op een andere plek. En dan lukt het ineens wel. Floep en het is weg – in één seconde van Montefrio naar Rotterdam.
O, ik hoop zo dat ze het goed vinden daar, dat dit echtechtecht de laatste versie is.