Anna van Praag boeken en verhalen
Categorieën
Verhalen van de berg

Schommelbankje

Ik heb een schommelbankje, ik ben zo blij. Een schommelbankje op mijn veranda.

Ik heb ook zomerzon en witte rozen op de patio. Daar scharrelen alweer nieuwe babypoesjes  rond en ook een enge zwerfhond die de kinderen gelokt hebben en die eruitziet alsof hij elk moment kan omvallen van schonkigheid. Opa en oma zijn ook op bezoek, wel drie weken, en zitten onder de parasol met kussentjes, hapjes en drankjes. We lijken wel zo’n Spaans gezin met overal de oma erbij. Opa is over de negentig, steeds valt hij zomaar even in slaap. We geven hem een hoed en een wandelstok.

Kilo’s aardappels

Ik kook kilo’s aardappels want dat is opa zo gewend. En oma wil de hele tijd eitjes eten. Eten, afwassen, eten, afwassen. Opa moet naar de tandarts en oma naar de kapper. En daar is alweer de poepauto voor de sceptic tank.
Maar daar is ook het schommelbankje, zomaar ineens staat het tegen de gele muur voor mijn schrijfkamer, als een net-uitgepakt cadeautje.
Houten steigers die uitmonden in de zee, het stoepje bij de deur, een strand zonder mensen erop. En een schommelbankje, dat wilde ik altijd al het liefst. Blauw en van riet. Deze is groen en van metaal en hij is perfect.
En daar zit ik dan te schommelen en alles is goed.

Categorieën
Verhalen van de berg

Je moet wel even mee naar een zaaltje

Ik was een jaar of twtintig en ik zwalkte door Amsterdam. Ik woonde drie hoog achter in De Pijp en studeerde iets vaags. Ik zat niet bij een studentenvereniging want dat was ‘rechts’ en dus fout en ik liep door de Kalverstraat zonder geld terwijl ik eigenlijk een tentamen moest leren. Toen kwam die man op mij af.

Het was een leuke man, dat weet ik nog. Lang haar, iets hippie-achtigs zorgeloos. En hij wilde niet eens dat ik donateur van Amnesty ging worden of abonnee van Het Parool – nee, hij vroeg of ik zin had om een testje te doen. Ze deden een soort onderzoek naar geluk en ongeluk onder studenten in Amsterdam en ik was toch student, of niet soms?
Het was een betrouwbare man met een lieve stem, hij deed me aan allerlei bekenden denken. En ik had toch niks te doen.
‘Je moet wel even mee naar een zaaltje,’  zei de man nog. Normaal ga ik echt niet mee met vreemde mannen, maar er was iets fijns en tintelends aan zijn stem dat me lokte als de rattenvanger van Hamelen. Bovendien zag ik verderop nog een paar studenten met andere mannen en vrouwen meelopen, dus ik dacht: waarom niet?
En het zaaltje was een zaal! Zonnig en hoog en het rook naar koffie. De test was gewoon leuk. Het deed me denken aan die quizzen in meidenblaadjes, die vertellen wat voor type jij bent. Heel veel ‘Wat zou jij doen als’- vragen.

Onzeker

‘Wil je weten hoe je hem hebt gemaakt?’  vroeg mijn nieuwe vriend. Hij pakte er een pen bij en kwam gezellig tegenover me zitten. ‘Ha, ik ziet het al. Je bent heel creatief, maar ook slordig en soms een beetje te impulsief. Toch?’ Ik knikte. ‘Hm, en ook onzeker, waar komt dat vandaan? Of zie ik het verkeerd?’
Nee, hij zag het niet verkeerd en voor ik het wist had ik zo’n soort gesprek als je normaal na twaalven in het café hebt. Er gebeurde iets belangrijks, dat voelde ik wel. Die man was echt in mij geinteresseerd en hij zei enorm slimme dingen.
Pas bij het derde kopje koffie kwam het foldertje tevoorschijn.
‘Ze geven hier cursussen om je sterker te maken.Ik heb er zelf veel aan gehad. Hier, ik kan je ook wel een boek meegeven.’
Dus toch, dacht ik teleurgesteld. Het ging helemaal niet om mij, het ging om een cursus. Alsof er een wolk voor de zon schoof, ineens had ik geen zin meer in dat gesprek. En ik moest trouwens hoognodig mijn tentamen gaan leren.
Maar de echte schok kwam pas toen ik weer op straat stond met het boek dat ik toch maar had aangepakt en omkeek naar het mooie oude gebouw. Op de gevel stond een reusachtig bord waar ik raar genoeg eerder helemaal niet op had gelet.
The Amsterdam Church of Scientology.

En nu eigenlijk even dit fascinerende filmpje kijken:

http://www.youtube.com/watch?v=UFBZ_uAbxS0

Categorieën
Verhalen van de berg

Bedirpst

‘Die twee bedirpsen het park’  zegt de heks van Paul Biegel over de prinses en de tuinman die elkaar stiekem ontmoeten. Precies dat gebeurt met mijn boek en het feest.

Het feest is de processie van San Isidro in het kapelletje van Montefrio. Maar het is ook het begin en het einde van mijn nieuwe boek. Ik schrijf het één en ik bezoek het ander en dat bedirpst elkaar enorm. En mij. Meestal loopt de wereld van een boek netjes parallel. Nu verwacht ik om elk hoekje een boekpersonage. Tegelijkertijd zit ik in mijn hoofd voortdurend het feest te beschrijven:  ze roeren in de paella met lepels als roeispanen, goed onthouden…
Daarom geen verslag van het feest, maar -primeur!- de eerste bladzijde van het boek, dat uitkomt in september.

Kom hier Rosa, voorproefje

Wanneer Sita de flamenco danste, vergat je dat ze blond was.
We waren op het feest van San Isidro, bij het kleine kerkje dat stond op een heuvel tussen de olijfbomen. Iedereen leek wel betoverd door hoe hoe Sita rondzwierde tussen de zigeunervrouwen. Haar zwarte rok was een grote bloem rond de dunne stam van haar lichaam. Af en toe zag je haar gespierde benen – maar net niet haar onderbroek.
‘Anda, anda! Olé!’
De een na de ander ging meeklappen, stampen, en de oude vrouwen begonnen hoog en hard te gillen.
Ik had het koud. Er waren wel meer feesten en ook meer heiligen, maar dit feest was altijd net op de rand van de lente. Het begon met een slome wandeling door de velden die ze processie noemden. Dat was vast een grappig gezicht voor alle geiten die daar graasden: een lange rij mannen in pakken en vrouwen met bloemen in hun haar die grote heiligenbeelden met zich mee zeulden, voorafgegaan door een paar muzikanten met klarinetten en trompetten die een bepaald soort treurige, slepende muziek speelden. Zo serieus als iedereen altijd was! Voor onze buurvrouw was het zelfs het hoogtepunt van het jaar. Maar zij mocht dan ook de heilige Isidro zelf vasthouden: een beeld, dat erg op Jezus leek. Versierd met koren en olijftakken want San Isidro was de beschermer van de boeren, hij zorgde elk jaar weer voor de olijfoogst. Je moest een beetje schaatsend lopen om zo’n beeld recht te houden en dat ging de hele stoet dan nadoen. Uiteindelijk kwam je in een soort trance want het duurde eindeloos. En daarna gingen we dansen en bloemen neerleggen in het kerkje en dan gingen de grote mensen bier drinken.  En eten – dat moesten we allemaal. Mijn vader maakte zo ongeveer honderd kilo paella. Nee echt, die pan alleen al was zo groot als een kinderzwembad.
Mijn vader.
Ik zie hem nog staan, in zijn gestreepte schort, door de opstijgende dampen naar Sita kijkend. Hij zag er gelukkig uit. Dat heb je met koks: alles met eten maakt hen blij. De paella van mijn vader was beroemd, zelfs onder de Spanjaarden.
‘Wat is Sita toch knap.’ Maria del Mar was naast me opgedoken met haar vissenogen. Zoals altijd  rolden ze bijna uit hun kassen.  Ik moest bij haar altijd denken aan het woord ‘doppen’. ‘Kijk uit je doppen’ – dat had God bij Maria del Mar vast een beetje te letterlijk genomen.
En nu staarde ze, zoals wel vaker, vol bewondering naar Sita. ‘Dat haar – zo blond als zij is.’
Zelf had Maria ook enorm haar best gedaan: lange rok, bloemen in haar knot en zo’n hoge kam uit de flamencowinkel.
Zo vriendelijk als ik kon vroeg ik: ‘Moet jij niet dansen, Maria?’
‘Niet de sevillana toch, die is echt te moeilijk.’
Ik knikte, ook al wist ikzelf nog steeds het verschil niet tussen de ene dans en de andere. Al die verschillende stapjes, het eindeloos draaien van je handen tot het pijn doet, zelfs liggend op je rok over de grond rollen. Sita kon het allemaal. Als ik het probeerde, ging ik na drie stappen al uit de maat. Dan voelde ik me net een soort reus die per ongeluk kleine mensjes vertrapte.
Ineens was het afgelopen, er klonk applaus. Een paar oude vrouwen gooiden met bloemen.
Sita keek om zich heen, terug uit de hemel. Als ze danst ziet ze niemand, nu zocht ze mij.

Categorieën
Verhalen van de berg

De akelige Arabier

‘Hè jongens, kunnen die stripboeken weg?’ zeg ik en ik smijt alvast een armvol in een kast. Ik zeg nog net niet: ‘Waarom lezen jullie geen echt boek?’
‘Suske en Wiske is leuk’  roepen mijn dochters en ze halen ze net zo snel weer terug. ‘Weet je mam, dit gaat over…’
‘Ik weet waar het over gaat.’  Verrast kijken ze me aan. En ik denk: natuurlijk weet ik het, hoe kon ik dat nou vergeten? Liga’s en pannenkoeken, boerenkool en Suske en Wiske. Dat heeft mij groot gemaakt.

Dankzij Suske en Wiske leerde ik mooie nieuwe woorden als ‘miljaar’ en ‘plezant’ en ook woorden die toen al van vroeger waren: booswicht, kloek, dul, kordaat. En bovendien hadden ze het allitereren tot ware kunst verheven: de sissende sampam, de briesende bruid, de gladde glipper – dit roep ik allemaal nog uit mijn hoofd.
Gelukkig jeugdherinnering: een oranjerode zee van Suskes en Wiskes, vooral op regenachtige zondagen. En mijn broertje en ik in onze pyjama’s middenin die zee. Ik weet niet precies hoeveel delen we in huis hadden, maar ik heb ze allemaal gelezen. Meerdere keren.

Een Jerommeke in je leven

Van Schanulleke hield ik alsof ze mijn eigen popje was en één van mijn schokkendste leeservaringen was dat dit met zaagsel gevulde schatje -ik geloof in het album ‘Bibbergoud’ – behekst was waardoor ze ineens levend, gemeen en ook nog eens reusachtig was. Dat je zo op het verkeerde been wordt gezet en dat wat lief is is ineens de duivel blijkt, is een principe dat ik later zelf nog veel heb toegepast in mijn boeken, en niet alleen in de detectives.
Ook tante Sidonia is een archetype. Een stoere avonturier die manloos twee kinderen opvoedt. Of toch een sneue voetveeg zonder borsten die voortdurend voor rondslingerend wasgoed of een strijkplank wordt  aangezien? Wat je er ook van vindt, ik betrap mezelf erop dat ik haar er in gedachten nog steeds uitpik, gewoon op straat of op het werk: een echte Sidonia.
En Jerommeke! Samen met andere oermannen zoals de vader van Pippi Langkous en de Grote Vriendelijke Reus is hij een van de bakens van mijn leesuniversum geworden. Als Jerommeke in de buurt is, komt alles goed. Of er nou ineens Indianen over straat galopperen, Afrikaanse bomen tot leven komen, of anders wel enge gemaskerde mannen alle honden dood komen schieten – Jerommeke lost het op. Hij is supersterk, hij blijft altijd kalm, hij verspilt geen woord – en hij heeft een heel warm hartje. Zelfs als er ineens een koelkast stuk is, weet je dat Jerommeke hem kan reperareren. Zoeken wij vrouwen niet eigenlijk allemaal een Jerommeke in ons leven – desnoods voor erbij?

Lang leve Suske en Wiske!

Natuurlijk mogen – nee, moeten-  mijn dochters dat lezen. Juist  knap dat het zo tijdloos is. En dan heb ik het nog niet eens over het gemak waarmee die twee over de wereld reizen. Zou ik het daarvan hebben?
Maar net als ik iets in die richting wil zeggen, verklaart mijn dochter terloops: ‘Het is alleen jammer dat bij Suske en Wiske de slechteriken altijd Arabieren zijn.’

Ook verschenen als column op Leesplein:
http://www.leesplein.nl/LL_plein.php?hm=1&sm=2&id=94

Categorieën
Verhalen van de berg

Kreeftenquadrille

‘Kom, we halen even een verse kreeft en die gooien we dan in een pan.’  Of, in een restaurant: ‘Hoe maken jullie hier de kreeft klaar? Toch niet teveel gedoe, gewoon gekookt met een beetje mayonaise en een schijfje citroen?’ Niemand kan zo heerlijk achteloos over kreeft praten als mijn lieve vriendin J. Ik moet aan haar denken vandaag.

Ik ga oesters eten in Zeeland met een collega-schrijfster. Oesters en kreeft. Eigenlijk een idiote afspraak want mijn agenda ontploft en ook mijn eigen kinderen zijn al dagen van mijn radar verdwenen. Of mijn oude moedertje, waar ze (geloof ik) nu al twee dagen logeren. Bovendien is de belangrijkste afspraak van de week – bij de uitgever- deze ochtend en vanwege de oesters in Zeeland moet dat heel vroeg plaatsvinden en dan nog met amper genoeg tijd. Maar -ik weet ook niet precies waarom- die oesters, die moeten gewoon. Al zit ik toch gauw vijf uur voor in de trein voor een lunch van een uur of twee.

Iets met dictatuur

Behoorlijk opgefokt kom ik binnen. Want dit heeft de uitgever gezegd: ‘Ja, mooi. Het gaat goed met je boek. Maar dat stuk wat je er de afgelopen maanden bij hebt geschreven moet er eigenlijk weer uit.’ Hij mag het zeggen, graag zelfs, maar ineens doemt dan toch een vreselijke deadline op. Want ik ga op reis, in juni al, en daarvoor moet ik dus nog een paar poten onder mijn boek vandaan zagen. En dan? Bovendien denk ik ook een beetje wanhopig: twee jaar van mijn leven duurt dit boek inmiddels, hoe lang gaat dat eigenlijk nog door?
Maar daar is Floortje – want met haar heb ik de afspraak. En de oesters worden voor onze ogen binnengebracht en overal is de zee. We praten over schrijven, natuurlijk, en Floortje legt nog maar eens een keer uit wat zij van plan is met haar nieuwe boek. Waarvan ze niet eens precies weet of het eigenlijk wel een boek is. Of misschien wel meerdere boeken. Toch schrijft ze stug door, al jaren. Het is iets met dictatuur en ze leest zich helemaal suf. En ze reist. Naar Berlijn en terug en ook naar Spanje. Zicht op een einde is er nog niet, ook al begint haar uitgever zolangzamerhand een piepklein beetje ongeduldig te worden. Maar Floortje laat zich niet opjagen. ‘Het is af als het af is. Mijn geld verdien ik wel met andere dingen.’  Ook nog. Ik vond mezelf al tamelijk obsessief bezig, maar dit slaat alles.

Dapper

Het is geruststellend om met Floortje oesters en kreeft te eten. Relativerend. Maar vooral ook fijn om haar te horen praten. Ik heb hier nu al een paar stukjes achter elkaar geschreven over dappere gekken. Hier is er weer eentje: Floortje die schrijft en schrijft, gewoon omdat ze dat nou eenmaal moet doen. Met zulke mensen moet je gewoon af en toe even kreeft eten.  Gekookt, zonder teveel gedoe, alleen met mayonaise en een schijfje citroen.

Categorieën
Verhalen van de berg

The Sunshine Show

Glazige blik in de ogen, steeds nieuwe tasjes en spulletjes meesjouwend, een jachtige en tegelijk vermoeide tred bij het tussen de buien door laveren… ik voel me deze week erg verwant met de dames van de Libelle zomerweek.

Veilige scholen in veilige buitenwijken, daar kom ik veel dezer dagen. En dan in de trein met al die dames van de Libelle zomerweek die van alle kanten naar Almere reizen. Vol verwachting op de heenweg, stilletjes en een beetje bozig op de terugweg. Wat is dat? Zijn ze teleurgesteld dat het uitje alweer voorbij is? Voldeed het niet aan hun fijne Libelle-verwachtingen? Of zijn ze er gewoon een beetje moe van? Wat het ook is, ze bewegen in groepen. Reusachtige groepen. Doe mij een kinderboekenstand op de Libelle zomerweek en ik ben meteen door al mijn boeken heen, denk ik stiekem.
Maar zelf ben ik nog amper te onderscheiden van de Libellevrouw. Al dat gepraat over schrijven deze week in plaats van het gewoon te doen, daar word ik vooral moe van, leeg. En mijn rode tas geeft af op mijn witte jas, dat komt allemaal door die rotregen.

Lady boy

En dan is daar ineens mijn lieve vriendin Esther. In Den Haag, in het Theater aan het Spui, staat ze in TL-licht een try out te houden van het stuk dat ze zelf bedacht, schreef, in elkaar zette, speelt. Een moedige actie en een moedig stuk. Als ik haar zie staan met een rare pruik en op lullige slippertjes, schiet ik al vol. Dit wilde ze zo graag maken, hier is ze al zo lang mee bezig, tegen alle bezuinigingstrends in. En nu doet ze het gewoon! The Sunshine Show is een wonderlijk en ook gruwelijk verhaal van een lady boy uit Thailand. Esther speelt die lady boy en het knappe is, je gelooft haar meteen. Ze is o zo breekbaar maar soms ook verschrikkelijk grappig, vooral als de voorstelling ontaardt in een ranzige karaoke. Ik ben zo blij dat ik erbij kan zijn, dat ik kan zien wat ze doet, hoe hard ze probeert. Dit is raar, bijzonder, dit lijkt op niks anders dat ik ooit heb gezien. Op zulke momenten snap ik eigenlijk niet waarom er geen treinladingen vol naar Den Haag afreizen. Van de Libelle Zomerweek word je moe, maar van Esther raak je ontregeld – dat is toch veel fijner? En in de trein terug, hoe laat het ook is, ben ik wakker, alert, helemaal niet glazig meer. Wat nou regen?!

The Sunshine Show, Theater aan het Spui, nu reserveren voor eind mei.

Categorieën
Verhalen van de berg

La quinceanera

Ruim zestien jaar geleden voeren Ilco en ik in een bootje over de Amazone. Het was van dat spectaculaire weer: ondergaande zon, bliksem, pikzwarte wolken. In het oerwoud hield alles en iedereen zijn adem in. Toen kwam er een kano voorbij met daarin een Indianenfamilie: man, vrouw, kindje. En omdat ik vrij goed ben in verkeerde dingen te zeggen op magische momenten, riep ik ineens: ‘Shit, ik ben vanmorgen mijn pil vergeten!’

En omdat Ilco nou eenmaal vrij goed is in ‘waarom niet?’-opmerkingen (zie eerdere blogs) zei hij, zonder zijn ogen van de Indianenfamilie af te houden: ‘Misschien ben je die pil wel niet voor niets vergeten.’
Ik dacht misschien na, misschien een seconde. We hadden het er nog nooit zo concreet over gehad. Toen zei ik: ‘Oke.’
Die nacht sliep ik heerlijk terwijl Ilco in zijn eentje uren langs de oevers van de Amazone danste.
Een klein jaartje later kwam Bloem, vandaag precies vijftien jaar geleden.

Sweet

Ik wist totaal niet hoe het moest, een kind, maar Bloem maakte het me zo makkelijk. Ze sliep goed, ze at goed en ze had een zacht en dromerig karakter. Heeft. Want inmiddels is ze bijna een kop groter dan ik, maar nog steeds een heel lief iemand. Veel liever dan haar moeder, eigenlijk. Maar ze is geen doetje. Als er iemand van reizen en avonturen houdt, is Bloem het wel. En ze kan duiken en kiten en paragliden, allemaal van die stoere dingen.
In het Amazonegebied – en volgens mij in heel Latijns Amerika-  is je vijftiende verjaardag een heel speciale gebeurtenis. La quinceanera. Dat is het in Spanje ook, een soort sweet sixteen maar dan eerder. Dan krijg je extra grote cadeaus en mag je uit eten met je vriendinnen. Dan ben je officieel vrouw. Maar als je iets niet tegen Bloem moet zeggen, is het dat: nu ben je een vrouw. Laat haar maar lekker spelen, dromen. Op avontuur gaan!
Maar toch, vijftien. Ik heb Bloem nog niet eens gezien vandaag, maar ik denk al de hele dag met zo’n soort verliefd gevoel aan haar. Mijn oudste. Mijn indianenmeisje.

Categorieën
Verhalen van de berg

MasterPeace on tour

Met je hakjes in zo’n kledderig grasveld wegzakken. De geur van teveel bier. Genadeloos daglicht en dat het net een beetje koud is. Wegwaaiende speeches van goedbedoelende burgemeesters. Mensen van het Rode Kruis die rondlopen voor het podium om flauwgevallen meisjes uit het gedrang te vissen. Dansen. En mijn man die van alle kanten wordt aangeklampt, gefotografeerd, naar voren geschoven. Dertig jaar bevrijdingsfestivals en er is niks veranderd.

Inmiddels lopen ook mijn dochters geroutineerd rond over de festivalmarkt en staan stoer frontstage tussen de fotografen. Ze  eten laffe broodjes en gluren omhoog naar de zanger op het podium. Ilco is nog steeds een soort held, maar nu niet meer omdat hij het brein is van de bevrijdingsfestivals. Vandaag is hij hier als mister MasterPeace. Hij heeft voordturend cameraploegen en fotografen om zich heen en is dezelfde avond nog uitgebreid te zien bij Een Vandaag. Hij vertelt over de Imagine Tour: twintig topzangers die vandaag zingen voor MasterPeace. Het ziet er indrukwekkend uit en het klinkt als een klok. We mogen met ze mee in de artiestenbus van het ene naar het andere festival. Ik moet er elke keer bijna van huilen: kijk ze daar nou eens de sterren van de hemel staan te zingen!

Trots

‘Je bent zeker wel trots op je man?’ Het is me toch algauw zo’n keer of dertig gevraagd vandaag. Het wordt me sowieso nogal vaak gevraagd. Dat vind ik altijd een beetje ongemakkelijk. Ja, ik vind het heel stoer wat Ilco doet en ook dapper. Maar dat vind ik hem ook (en misschien nog wel meer) als hij nachtenlang achter zijn computer zit te filosoferen en ook gewoon keihard zit te werken om dit soort grote dingen voor elkaar te krijgen. Ik geloof niet dat ik iemand anders ken die zo hard en zo vol overtuiging werkt.
En MasterPeace is allang niet meer van Ilco alleen. Daar ben ik ook heel trots op. Net zoals Bevrijdingspop niet meer van Ilco is, alleen nog maar een piepklein beetje. Dat is toch gaaf?
Ergens aan het eind van de dag kwam er een berichtje van het MasterPeace hoofdkantoor in Cairo. Wat gebeurt er toch allemaal bij jullie vandaag? Want het schijnt dat de website zo’n beetje ontplofte, zoveel mensen kwamen er ineens. Allemaal mensen die misschien ook wel voor MasterPeace in de toekomst iets gaan doen of maken of bedenken.
Toen was ik ook heel trots.

Categorieën
Verhalen van de berg

Bucketlijst voor een week

Ik weet niet meer hoe je een treinkaartje moet kopen. Ik kom sowieso nooit meer van dit enorme station af, ik snap niet waar de uitgangen zijn. En mijn dochters zitten te huilen in een hoekje omdat ze al hun afspraken met vriendinnen mislopen…
Zwetend word ik wakker. Hoezo leuk een weekje naar Nederland?

Morgen ga ik met vier kinderen (drie van mij en eentje van Spanje) in de nachtbus naar Madrid en dan vliegen we door naar Amsterdam (Ilco is er al, die moest natuurlijk vieren dat Ajax kampioen wordt). De meisjes en ikzelf hebben allemaal zoveel mogelijk afspraken gemaakt en ik probeer alles bij te houden. Dat is behoorlijk veel gedoe voor iemand die normaal dagenlang in haar eentje op een berg zit.

Een week Nederland:

In een bus vol artiesten langs alle Bevrijdingsfestivals reizen.
Twee keer naar de nieuwe uitgever in Rotterdam.
Op acht scholen over mijn boeken praten.
Reisprikken halen in het Tropencentrum.
Met mijn middelste meisje naar de Bijenkorf.
Met een slimme dame praten over hoe je zoveel mogelijk boeken kunt verkopen.
Naar een speciaal voor mij georganiseerde doorloop van mijn vriendin de actrice.
Met een collega oesters eten in Zeeland.
Naar mijn oude moedertje.
Naar Almere.
Mijn liefje bewonderen bij een talkshow.
Eindelijk de film Shame zien.
Zorgen dat de Spaanse vriendin niet kwijtraakt in de grote stad.
Hetzelfde bij mijn eigen dochters, vooral de jongste.
Twee dates in een hotel waarvan eentje geheim.
Vieren dat mijn oudste vijftien jaar wordt, met taart en ook nog met een rijsttafel.
Met twee van mijn liefste vriendinnen naar een spa.
Met een andere liefste vriendin wijn drinken in een stadstuintje.
En ook wijn drinken met mijn fonkelnieuwe (leuk woord) schrijfvriendin
Een huwelijk herdenken.
In zes verschillende bedden slapen.

Genoeg materiaal voor een blogje of drie, jullie mogen verzoekjes indienen. De vraag is alleen wanneer ik het ga schrijven.
Maar eerst maar eens door de bergen in de nacht naar het busstation van Granada rijden. Dat vind al een best lastig klusje.
Ik ga een wijntje drinken vantevoren, denk ik. Of twee. Niet zoveel dat ik dronken achter het stuur zit, ik ben niet gek. Maar genoeg om overal zin in te hebben. Nederland, we komen eraan!

Categorieën
Verhalen van de berg

Het einde van Walnut Grove

‘Huilt ze nou?’ ‘Ja ze huilt.’ ‘Echt? Mam, het is maar een film!’
Zullen mijn dochters hier iets aan overhouden? Een sentimenteel snikkende moeder bij een nog veel sentimenteler tv-programma – wat is dat nou voor voorbeeld?

Ik ga niet alle programma’s opnoemen waar ik bij kan zitten huilen. Alleen dit: het opblazen van Walnut Grove. En voor wie geen idee heeft wat Walnut Grove is: laat maar zitten, sla dit stukje maar gewoon over.

Het Kleine Huis

Goed, voor wie er zijn overgebleven, Het Kleine Huis dus. De serie van mijn jeugd en zo vaak herhaald dat het de tv-serie van ieders jeugd kan zijn. Uitgezonden, ik zeg het maar even, door de EO. Het is het verhaal van Laura Ingalls Wilder, al heeft het met de boeken niet echt veel te maken. De serie begint waar de boeken zo ongeveer ophouden. Het zijn de verhalen van Laura en Mary, twee zusjes, van de altijdwijze Pa en de altijdlieve Ma, en hun heftige leventje in het schattige pioniersdorp Walnut Grove. Heerlijke feelgood tv over dood en leven en liefde en familie. Je kunt Laura en Mary ruim tien jaar van hun leven volgen. In die tien jaar neemt de stoere maar lieve Laura je mee langs vele hoogte- en dieptepunten: Mary die blind wordt, baby’s die geboren worden en weer doodgaan, vreselijke ziektes en gevaarlijke Indianen, huwelijken, verslavingen, kerstmis zonder cadeautjes en natuurlijk de Verschrikkelijke Nelly Oleson. En als alles misloopt, is er gelukkig altijd Pa die snapt hoe het verder moet en anders natuurlijk God, het allergrootste baken van Walnut Grove.

Dynamiet

Twee jaar geleden zijn de meiden en ik begonnen met, wanneer Ilco weg is, ‘s avonds naar Het Kleine Huis te kijken. Het werd een serieuze traditie en dus hebben we er inmiddels negen seizoenen, drie tv-films en één extra lange pilot aflevering op zitten. Het had iets enorm rustgevends dat, als onze eigen man van huis was, er altijd nog Pa was, en dat het fijne warme leventje in Walnut Grove altijd wel door kabbelde. We hebben Laura en Mary in al die tijd groot zien worden en zelf kinderen krijgen, maar Walnut Grove bleef Walnut Grove.
Tot vandaag. Want nu zien we echt de aller- allerlaatste aflevering.
Er is een probleem met land – dat is er daar  wel vaker- maar deze keer vindt Pa noch God de oplossing. Dus moet iedereen weg van Walnut Grove. Daar staan ze dan, met hun huifkarren. En alsof dat nog niet erg genoeg is, gaan ze Walnut Grove opblazen zodat hun fijne huizen niet in handen vallen van de Slechte Man die nu de grond bezit. Het drama wordt enorm uitgesponnen. Huis voor huis wordt door hevig huilende bewoners met dynamiet tot ontploffing gebracht. De snoepwinkel van Nelly Oleson. De dokterspraktijk waar de oude dorpsdokter zoveel ellende voorbij zag komen (en wij met hem). De oude houtzagerij waar alles begon. Het kleine huis zelf.
Tegen die tijd hou ik het al lang niet meer droog. ‘Ik vind het gewoon zo erg dat alles altijd voorbijgaat,’  snik ik als voor de laatste keer de aftiteling met het fijne muziekje over het scherm rolt.
‘Ja, mam, zo is het leven,’  zegt mijn oudste dochter en ze staat vrolijk op om iets anders te gaan doen.