Anna van Praag boeken en verhalen
Categorieën
Verhalen van de berg

Zo’n dag

Ik hoor mezelf best vaak zeuren dat ik nergens thuis ben, ook niet in Spanje. Of over al het gedoe dat hoort bij moeder zijn. Maar vandaag was anders.

Mijn sportieve familie ging skiën in de Sierra Nevada, maar Chaia kon niet mee met haar pols in het gips. Dus om haar te troosten (en mezelf even van de berg af te schoppen) gingen we samen een dagje naar Granada. Daar was het natuurlijk ook uitverkoop en Chaia en ik hebben allebei totaal geen moeite met van paskamer naar paskamer rennen. Sowieso lijkt zij van de drie misschien wel het meest op mij. Dat Spaanse temperament waar ik soms zo op mopper, bijvoorbeeld. ‘Jij was anders ook ineens heel kattig,’  roept ze dan, of: ‘Je schreeuwde zelf minstens zo hard.’ Verder is ze het minst knuffelig van de drie. ‘Raak me niet aan!’  is echt zo’n Chaia-opmerking. Dan ben ik beteuterd, maar als ik erover nadenk: ik deed niet heel veel anders tegen mijn eigen moeder.
Maar Chaia is ook de grootste lezer. Je kunt haar gangen nagaan aan het spoor van boeken dat ze achterlaat. Af en toe moeten we haar bed echt leeghalen omdat er geen plek meer over is voor haar kussen. En ze is grappig, origineel, sprankelend en soms enorm lief. En vandaag in Granada was ze dat allemaal. Het was ook zulk mooi weer! Iedereen die deze vakantie naar Spanje wilde komen en het toch niet deed, moet dubbel spijt hebben want het is de zachtste, zomerste winter sinds tijden.

Pleintje

Daar zaten we, met onze uitverkooptasjes, op een schattig pleintje in de zon onder (we hebben ze geteld) vijfendertig palmbomen. Met zijn koloniale gebouwen in felle, afgebladderde verf doet Granada soms aan Havana denken en vandaag was zo’n dag.  We aten salade en ik voel me altijd zo rijk als ik lunch met salade op een terras. Dat komt nog uit de tijd dat ik een arm, hongerig studentje in Parijs was en door de Hallen liep met mijn baguette onder de arm, starend naar de Franse elite met hun tinkelende wijnglazen.
Maar dit was niet Parijs, het was heel erg Spanje. Want aan ons trok een stoet van muzikanten voorbij. Leuke Granada-hippies met lange haren tot hun middel (niet eens in een staart) die oude Spaanse ballades zongen. Gevaarlijke zigeuners die hun gitaar bijna op hun schouders hielden zo hoog. En natuurlijk zwetende flamenco-danseressen.
Het was zo’n dat dag dat iedereen ‘guapa’ tegen je zegt. Zo’n dag dat je precies het tafeltje hebt gekozen dat het langst in de zon blijft. Dat je een prachtige ketting vindt voor maar twee euro en een echt flamencotruitje. Maar ook dat al die dingen niet eens hoeven. Want ik zat daar zomaar heel gelukkig, met mijn middelste meisje op een pleintje in Granada.

Categorieën
Verhalen van de berg

Hoe gaat het oude vrouw?

Het zijn slome dagen, een beetje wazig en opruimerig. En toen vond ik ineens dat vinyl singletje tussen de platen. Het was een telefoonliedje, helemaal krakend en erg dramatisch, zoals dat hoort met telefoonliedjes.

‘Hey Monique’ heet het lied, ik ken het uit mijn hoofd. Een meisje aan de telefoon met haar vader, die weg is. Weg als in: gescheiden. En die terugkomt! Midden onder dit liedje komt alles weer goed, een wonder. Monique zingt die man gewoon terug door te verklappen dat mama bijna iedere nacht huilt ‘en daar kan ik bijna niet van slapen.’  De vader bedenkt zich geen moment: ‘Als dat werkelijk waar is, kom ik direct naar huis!’ En hij smijt de hoorn op de haak, je verwacht hem als het ware meteen rammelend aan je eigen voordeur.
Telefoonliedjes zijn altijd indringend. En dramatisch. Denk Dokter Bernhard, toch wel de moeder aller telefoonliedjes, dat maakt me altijd aan het huilen: je hoort die lieve dokter Brandsteder en je vertrouwt hem helemaal als hij zegt dat het goed komt met de onbekende zieke man. Maar dan hoor je, plotseling, de stem van een hysterische Bonnie Sint Claire die gilt: ‘Nee! Nee!’  Omdat haar man dan toch doodgaat – zomaar middenin het liedje. Elke keer weer een schok.

Opoe

Nog erger? Ik geloof het wel. Ik zag het woord ‘Bandoeng’  staan (ja, ik ga dus naar Indonesie) en toen dacht ik: o ja, Hallo Bandoeng van Wieteke van Dordt. Meteen opgezocht en ja hoor, het was ook zo’n telefoonliedje. De stokoude moeder is ver weg en ze belt naar Bandoeng, waar ze haar zoon aan de lijn krijgt. ‘Dag lieve jongen,’  zegt ze. ‘Hoe gaat het, oude vrouw?’ antwoordt haar zoon, een beetje oneerbiedig wel. En hij laat vervolgens ook nog even de kleinzoon aan het woord die ‘tabeh’ tegen de opoe roept. Daarvan raakt de oude vrouw zo geëmotioneerd dat ze, ‘hallo, hallo’  roepend neerstort, ik geloof zelfs dood. Zo treurig, ik ging er meteen mijn eigen moeder van bellen in dat verre Nederland. En die speelde onbewust haar rol helemaal mee, door te zeggen: ‘Als ik je stem zo hoor, mis ik jullie heel erg. Ik krijg gewoon tranen in mijn ogen.’
Gelukkig was dit het echte leven en geen liedje dus er ging niemand dood en er stond ook niet ineens iemand aan de de deur te rammelen. We drukten het gesprek weg en gingen gewoon allemaal verder waar we waren gebleven. Misschien een klein beetje minder wazig.

Categorieën
Verhalen van de berg

Met grote letters ANNA

‘We hebben de druiven in huis, de nieuwe rode onderbroeken en zelfs de driekoningenkrans is besteld. Laat dat nieuwe jaar maar komen,’  zegt Bloem. Tevreden gooien we de oliebollen in de olijfolie.

Zo moet het eigenlijk op het platteland van Spanje: je gaat met al je vrienden en familie in een restaurant eten. Onder je Spaanse feestkleding (denk glimmende minijurk en hoge hakken voor de vrouwen en glimmend jasje voor de mannen) draag je, man en vrouw, een nieuwe rode onderbroek voor geluk in de liefde. Zelfs de baby. Zelfs de onvermijdelijke oma. De maaltijd begint om een uur of half elf. Tijdens het eten (vis of vet vlees druipend van de olie, aardappels druipend van de olie, puddingachtig toetje) kijk je naar de tv waarop om twaalf uur presentatoren voordoen hoe je bij elke slag van de klok een druif in je mond propt. Dan drink je cava en nog meer cava en rumcola en whisky en nog meer rumcola en nog meer whisky en zo kom je de nacht wel door.

Feliz ano nuevo

Maar zó ingeburgerd ben ik nou ook weer niet. Druiven ok, en die onderbroek heb ik aan inderdaad (‘er staat met zilveren letters ‘feliz ano nuevo’ op, echt waar) omdat ik nou eenmaal geloof in bijna elk bijgeloof.  En natuurlijk wil ik cava maar dat wil ik altijd, liefst eentje met veel chardonnay erin zoals die van Anna de Cordoniu waar, heel feestelijk, met grote letters ANNA op staat. Het is ook nog eens onze trouwdag, dat vergeten we gek genoeg elk jaar een beetje. Gelukkig zijn er altijd vrienden en familieleden die ons heel attent al dagen tevoren beginnen te feliciteren. Elk jaar vuurwerk op mijn trouwdag, dacht ik ooit, maar niet in Montefrio waar alleen de zigeuners – kilometers verderop – om middernacht de straat op gaan.
En dan zit ik dus gewoon thuis bij het vuur met man en meisjes. Misschien doen we zelfs wel (‘Mam! We lijken wel zo’n eng modelgezin!’) een spelletje. Met die zelfgebakken oliebollen erbij, vooral om de frituurgeur in je haar die stiekem een beetje aan Nederland doet denken. En dat we dan van die vage voorspellingen gaan doen: 2012 wordt het jaar van…

Boek

Ik weet het eigenlijk al. Dit wordt het jaar van Indonesie. En van een nieuw boek waar ik al heel lang mee bezig ben, bijna dag en nacht. Daar ben ik zo vol van, ik wil het wel van de daken schreeuwen. Eigenlijk is het een wonder dat ik er tot nu toe zo weinig over heb losgelaten (ook een soort bijgeloof, denk ik). Maar de eerste versie is naar de eerste lezer gegaan en nu kan ik niet meer terug – en dat wil ik ook helemaal niet. Zodat ik om 12 uur, kwijlend van die mondvol druiven, waarschijnlijk alleen maar denk: mijn boek, mijn boek, het jaar van mijn boek…

Lieve lezers

Dank jullie wel voor het blijven lezen van al mijn avonturen. Ik ben blij en trots dat jullie er zijn en wens jullie allemaal een superjaar toe. Wat wordt het? 2012, het jaar van….

Categorieën
Verhalen van de berg

Jopa!

‘Hoe komt u aan uw ideeen?’  Deze vraag, in allerlei vormen, hoor ik het vaakst. Er gaat eigenlijk geen week voorbij zonder die vraag (meestal via de mail). Vandaag bij wijze van antwoord het verslag van een gebeurtenis die zomaar een boek zou kunnen worden.

Ik weet niet hoe dat zit in Nederland, maar de laatste dagen voor de kerstvakantie wordt er hier praktisch geen les meer gegeven op de middelbare school. Heel veel kinderen blijven dan ook thuis om te helpen met de olijfoogst. Het zou leuk zijn als de school dan bijzondere dingen zou organiseren (kerstgala’s! hoor ik maar steeds van Nederlandse kinderen) maar nee. ‘Ik heb nog nooit zoveel stomme films achter elkaar gezien als deze laatste dagen’  zucht Bloem, samen met Chaia een van de zielige kinderen die van hun moeder gewoon naar school moeten, les of geen les. Verveling alom. En toen liep het dus uit de hand.

Kostschool

Het gebeurde in twee huizen, los van elkaar. De ouders zijn hele dagen op de velden, olijven aan het plukken. Daarvoor is hier speciaal een ‘residencia’  naast de school. Daar kunnen de boerenkinderen deze maanden terecht om te eten, en zelfs om te slapen. Een soort kostschool dus.
‘We gaan spijbelen.’  Of in het Spaans: ir de jopa. Ineens was het idee daar, het zoemde door de school. Spaanse scholen gaan op slot gedurende de lessen, dus dat maakte het extra spannend. De kinderen moesten ongezien over de hekken klimmen. En daarna was het nog steeds gevaarlijk. Montefrio is zo klein en alle cafeetjes zijn solidair met de school, daar kom je niet in als spijbelaar. De olijffabriek is ook nog eens pal naast de school, dus nog meer kans om gesnapt te worden. Daarom vluchtten al die kinderen naar die twee lege huizen. Lieve kinderen, stoute kinderen, jonge kinderen, oude kinderen. En wat er toen in die huizen gebeurde kunnen we alleen maar raden. In ieder geval, het had met roken en drank te maken. Want later in de residencia ontstond een waar pandemonium van kotsende en stomdronken kinderen. En ook nog huilende kinderen omdat het huis van hun ouders veranderd was in een enorm slagveld.

Brave boerenkinderen

Hoe komt zo’n hele school collectief in beweging? Wat gebeurde er allemaal in die twee huizen? En hoe kan het met al die doorgaans zo brave boerenkinderen zo snel zo uit de hand lopen? Dat verhaal zou ik wel willen vertellen, een keer. Mijn fantasie heeft het allang overgenomen. Want wat er echt is gebeurd weten we niet omdat mijn eigen dochters er niet bij waren. Niet omdat ze niet durfden, maar omdat ze er bij voorbaat al geen zin in hadden. Zodat Bloem met één ander meisje overbleef in de klas, en de vertwijfelde lerares, die de hele tijd bezig was wegklimmende kinderen van het hek af te sleuren en willekeurige ouders op te bellen, hun sommeerde dan maar samen naar de kroeg tegenover de school te gaan. ‘Zeg maar dat ik heb gezegd dat het mocht.’ Bloem en Laura hadden het vervolgens reuze gezellig met zijn tweetjes. Maar daar zit dan weer niet echt een verhaal in.

Categorieën
Verhalen van de berg

EHBO

Wat deden mijn man en mijn dochter gedurende zo’n beetje deze hele kerstnacht? In het overvolle ziekenhuis van Granada rondhangen. (lees verder)

‘Mama, niet aan mijn Spaanse vriendinnen vertellen dat dit komt doordat ik weer van een paard ben gevallen.’  Chaia’s vriendinnen vinden het toch al een raadsel dat ze zo’n enge sport beoefent. Maar paardrijden maakt Chaia nou eenmaal het allergelukkigst. Zeker nu ze ze op de middelbare school zit en al die zware tentamens voor haar kiezen krijgt. Chaia is zo’n kind dat niet rust voordat ze weer een acht, of liever een negen heeft. De afgelopen week is ze wel drie keer om zes uur ‘s ochtends opgestaan om de afschuwelijk taaie Spaanse definitie-tentamens te leren. Aan het eind van zo’n week is er nog maar één ding wat haar weer rustig maakt: de paarden. Keihard galopperen door de campo, maar ook gewoon stallen uitmesten. Toen ze verdrietig was om de dode poes was dat ook wat ze wilde: troost zoeken bij de paarden. Paarden-Liz beschouwt Chaia inmiddels als een soort dochter, geloof ik. En nu hadden die twee samen een spannende kerst-hindernisroute uitgezet. Dunya deed ook mee en viel wel vier keer van de pony. Chaia viel één keer – en daarna verging ze van de pijn aan haar pols.

Wachtkamers

Volgens mij zijn Nederlandse EHBO-afdelingen rond kerstmis ook vrij ellendig, maar het grauwe ziekenhuis van Granada slaat alles. Volle wachtkamers, overal gillende kinderen en totaal geen systeem of overzicht. Vier uur wachten? Op zijn minst! Gelukkig hadden we ons kerstdiner met buurvrouw Belen, heel Spaans, ‘s middags al opgegeten, dus ik bleef met twee dochters en een afwas over.
Die afwas is allang gedaan, maar ze zijn nog steeds niet terug. Ilco belde twee keer dat hij op het punt stond om weg te gaan. Gelukkig is hij gebleven, want het laatste telefoontje bevestigde een breuk. Dus nu moet ze gips. Ik kon Chaia naast Ilco horen huilen, dus ik vroeg bezorgd: ‘Heeft ze nog steeds zoveel pijn?’
Maar dat was het niet. Ze huilde omdat de dokter net had gezegd dat ze minstens twee weken niet kon paardrijden.

Categorieën
Verhalen van de berg

Kerstverhaal

Ik zoek een afschuwelijk kerstverhaal. Stond in een boek dat ik al heel lang kwijt ben. Wie weet welk verhaal ik bedoel?
(lees verder)

Het kerstverhaal was dus een boek, ik herinner me vaag ook wat jaren zeventig plaatjes. Maar geen titel en geen schrijver, dus dat maakt het moeilijk. Ik krijg er een Jaap ter Haargevoel bij, maar dat zegt verder niks want dat krijg ik wel vaker.
In ieder geval, ik vond het misschien wel het naarste kerstverhaal ooit. Dat was zeker niet de bedoeling van de schrijver. Die wilde iets met naastenliefde, denk ik, maar mij maakte het diep ongelukkig. Waarom ik het dan toch steeds herlas, is misschien ook wel de reden waarom ik het nu terug wil vinden: soms wil je erge dingen even vastpakken, er van alle kanten goed naar kijken – om het vervolgens snel weg te gooien. En wie weet, misschien vind ik het intussen wel een schitterend verhaal, dat zou ook nog kunnen.
In ieder geval, hier komt het. Ik heb het boek, dat moge duidelijk zijn, niet bij de hand om te verifieren, dus laten we het een zeer vrije interpretatie noemen van

Het sneue kerstverhaal

De school is afgelopen, de kinderen hebben kerstliedjes gezongen en de meester gelukkig kerstfeest gewenst en de jongen – laten we hem Jaap noemen- haast zich naar huis door de knisperende sneeuw. Hij verheugt zich: kerstmis, kerstvakantie! En thuis, weet hij, lonkt de bijzondere kersttafel die zijn moeder elk jaar maakt. Daarop prachtig kerstsnoep, kerstkransjes, flonkerende kaarsen, cadeautjes voor zijn mooie rapport. Een boek!
Maar eenmaal thuis wacht hem een onaangename verrassing. Ja, de kersttafel is er, mooi als altijd, maar er is ook een verre buurman op bezoek. De man is raar en wild, misschien heeft hij wel een onverzorgde baard en het kan zomaar dat hij een kunstenaar is. Jaap is blij als hij weggaat, maar dan blijkt: de man heeft hem en zijn zusje uitgenodigd om bij hem kerstavond te vieren. Jaap piekert er niet over, natuurlijk niet, hij is net in zijn fijne kersthuis en zijn nieuwe boek roept.
Maar zijn ouders zeggen dat hij toch moet gaan. De buurman is vreselijk eenzaam, hij heeft niemand om kerstmis mee te vieren. Jaap kan nog zo vaak thuis zijn bij zijn ouders, nu moet hij, als Roodkapje, met een mandje lekkers door de sneeuw op weg, naar de zielige man.
Hoe ellendig is het om zijn fijn verlichte huis te verlaten, op kerstavond nog wel! En hoe groot is het contrast met het huis van de zielige man waar geen kerstboom, geen kaarsen en zelfs geen kerstbrood te vinden zijn.
Het wordt een karige kerstavond met knakworstjes eten van plastic bordjes. Jaap moet zich heel wat keren verbijten. Ze doen alles anders dan thuis! Geen kerstliedjes, geen gedekte tafel, geen kindeke Jezus. Misschien spelen ze wel een potje pesten met een fles cola erbij, veel kerstiger wordt het niet.
En toch (nu komt de ongelooflijke moraal van het verhaal, voor de kleine Anna dan die dit huiverend zat te lezen), als Jaap in het holst van de nacht wordt opgehaald door zijn ouders die hem -onder het gebeier van kerkklokken- terugbrengen naar zijn eigen fijne huisje, dan is hij toch in een milde, zachte stemming. Het was een rare kerstavond, maar wat voelt hij zich gelukkig; en dan is kerstmis pas echt begonnen.

Vrolijk kerstmis allemaal – waar je het ook viert!

Categorieën
Verhalen van de berg

Onze lieve Elly Grey

En toen zat ik bij de dierenarts met de poes op schoot, heel zachtjes tegen dat wezenloze koppie te praten. Die spuit was zo groot en het spul erin zo griezelig oranje. En ik wou nooit meer een poes of wat voor beest dan ook waar je per ongeluk van gaat houden. En ik wou ook dat ik mijn eigen moeder nog kon inschakelen voor dit soort roktlussen.

Ach, die lieve Elly Grey. Ze was nog maar twee jaar oud, geboren precies op de dag dat we ons Spaanse huis betrokken. Zo’n schattig klein Spaans katje: schoon en lief en zacht en zindelijk. De enige kat die in ons huis mocht wonen. In onze bedden mocht slapen. Bij Bloem lag ze vaak naast haar op het kussen, altijd innig tegen elkaar aan. Toen we haar net hadden en ze nog in het kommetje van mijn hand paste, zag ik Bloem ook vaak uren alleen maar naar Elly zitten kijken. Ze was echt weg van haar. Net als al onze gasten (zelfs die paar die allergisch voor katten waren). Elly was de kleine koningin van alle katten die wonen op onze patio. Ze was zachtaardig en schoon – maar ze kon wel geweldig muizen vangen. Uren bracht ze door voor het fornuis, wachtend, glurend, totdat ze zo’n muis eindelijk te pakken had. En die bracht ze dan trots naar ons. Een ideale kat.

Poppenwagen

Elly werd veel te vroeg krols en ik moet haar nog steeds vergeving vragen voor dat ik haar toen toch naar buiten heb laten gaan. Meer dood dan levend kwam ze dagen later terug (die rottige rode kater ook altijd!) en sliep drie dagen aan een stuk door. Daarna was ze schijnzwanger. Ze vond een wollen pluis en die sjouwde ze nog tijden rond alsof het een echte poezenbaby was.
Maar Elly hield vooral heel veel van Bloem, Chaia en Dunya. Als ze op school waren, liep ze vaak uren zoekend door het huis. Eenmaal thuis stopte Dunya haar in haar poppenwagen, gebruikte Bloem haar als kruik, en sjouwde Chaia haar naar boven in haar stapelbed, en Elly vond alles goed.
Helaas was Elly altijd ook een beetje zwak. En toen had ze ineens hersenvliesontsteking. Een veel te groot woord voor zo’n klein katje.
We probeerden alles. Medicijnen, prikken, zelfs een week opname bij de dierenkliniek. Niks hielp. Als een schim van zichzelf, een oud besje, sleepte Elly zich de laatste tijd door het huis. Af en toe was ze nog even helder. Dan zat ze zachtjes te spinnen bij een kind op schoot, ging moeizaam buiten in het zonnetje zitten of kneedde met haar pootjes heel zacht een oud schapenvachtje waarvan wij dachten dat het haar aan haar moeder herinnerde.

Grafje

Wanneer is het genoeg, wanneer is lijden teveel? Elly was te stilletjes en te beleefd om het zelf aan te geven. Ook de dierenarts durfde de beslissende woorden niet uit te spreken en de meiden moesten er teveel van huilen. Dus moest ik de knoop doorhakken – wat een van de naarste, moeilijkste keuzes was die ik ooit heb gemaakt en een ongepland bij-effect van het moederschap. Net als dat ik het was die de laatste rit met haar maakte. Maar toen ik thuiskwam stond mijn Spaanse vriendin Toni daar al een graf te graven in de stenige grond. Dat was extra bijzonder want Spanjaarden van de campo snappen eigenlijk niks van huiskatten en waarom je daar zoveel moeite voor zou doen. Dus dat zegt wel wat over Elly.
Ze heeft nu een grafje in de zon, naast de schommel. Zodat ze nog steeds het vrolijke gelach van ‘haar‘ meisjes kan horen.
Onze lieve Elly Grey.

Categorieën
Verhalen van de berg

Koningen, kerstmannen en de pofeet

Ik wil een joodse kandelaar! Het slaat nergens op, maar toch. Niet dat ik hem ga krijgen – en al zeker niet op tijd voor chanoekah.

Bij ons in Villa Africa zwerven spullen uit allerlei godsdiensten. Rare afgodsmaskers uit Kongo. Beschermende lipschotels uit Ethipopie (hang  hem in je lip en alle bozen geesten schrikken zich een hoedje). En ook cadeautjes van onze Arabische vrienden, die rond de eettafel liggen en hangen. Een zilveren hand van Fatima bijvoorbeeld, die het boze oog weghoudt. En een soort ketting van kleine, bewerkte schijfjes die ook geluk brengt maar dan anders, geloof ik.
Na dit weekend staat daar ook een kerstboom bij vol met engelen en sterren. En met de zingende kerstman die we vorig jaar van onze Engelse buurvrouw kregen.
De Spaanse invloed blijkt uit het groeiend aantal kerststalletjes onder die boom. Dunya heeft er eentje gemaakt van olijfpitten, modder en spaghetti en Bloem heeft Jozef en Maria gebeeldhouwd van foliepapier – met een geweldig resultaat. Volgende stap is denk ik dat er nog meer reyes, de drie koningen, zullen aanschuiven. Want dat zijn de sinterklazen van Spanje en je moet natuurlijk elke mogelijkheid tot het krijgen van een cadeau aangrijpen, als kind zijnde (en trouwens, die drie laatste woorden mogen wel weer weg).

Grootvader

Laat uw leven sober zijn doch rijk aan feesten – zei mijn oude grootvader altijd en dat was een wijze man die snapte hoe het zat. Dus alle koningen, kerstmannen, engelen en sinterklazen mogen naar binnen in Villa Africa. Zelfs de profeet, stel dat die nog zou komen. Als er eten over is, roepen we vaak: ‘voor de profeet’  (en als hij dan niet komt en het eten wordt koud, dan is het voor de wilde katten, ook goed). Maar daardoor dacht ik laatst wel: en Chanoekah dan, dat is toch ook deze week? Ben ik het niet aan mijn joodse voorouders verplicht om op zijn minst een paar speciale kaarsen aan te steken? Het is toch raar dat niks in mijn huis (behalve boeken) verwijst naar het joodse?
‘Ik wil een menorah,‘  zei Bloem laatst zomaar. Want dat vond ze mooi: de zevenarmige kandelaar, symbool van het licht. Ik geloof trouwens dat joodse gezinnen met chanoekah nou weer een negenarmige kandelaar aansteken, maar dat voert me te ver. Zeven armen is ook al goed en dan elke dag een kaarsje. Maar ja, waar haal ik nou weer zo gauw een menorah vandaan, hier op mijn berg in Zuid Spanje?  Wie het weet mag het zeggen.

Categorieën
Verhalen van de berg

Een wasstraat vol met mannetjes

Ik kan soms zo extreem tegen iets opzien. Deze week was dat de Spaanse autokeuring. Nu is dat ook iets enorm griezeligs.

Al dagen dacht ik: o nee, volgende week itv. Want zo heet dat in Spanje (spreek uit ie-tee-oebe). Alleen al om er te komen is een enorm gedoe: een uur rijden, grotendeels door een labyrintisch industriegebied, waar ik al een paar keer verdwaald ben. En dan kom je bij een enorme loods waar je in moet rijden over een soort lopende band. Het lijkt een beetje op een reuzen-wasstraat maar dan met mannetjes en dat je auto aan alle kanten beklopt, getest en gecontroleerd wordt. Onze auto is oud en taai en als je gaat zeuren is er van alles op aan te merken, vooral veel roest. Maar het is onze lieve Landrover waar we jaren in gewoond en mee gereisd hebben, dus als die wordt afgekeurd, worden we allemaal extreem verdrietig.

Efteling

Gisteren was het zover. Na een lange tocht door de mist (waardoor dat industriegebied helemáál oneindig werd) kwam ik bij de itv. Rijen hier, rijen daar, het leek de Efteling wel maar dan met auto’s. Gelukkig kreeg ik een schattig mannetje toegewezen die dingen zei als: ‘Nou, uw mist-achterlicht doet het niet, maar dat vind ik niet erg.’  En: ‘Uw uitlaat is afgebroken, dus dat moet u straks thuis een beetje bijvijlen.’ Prima,  knikte ik en maakte alvast de vijl-beweging, want dit was ook de ultieme test in Spaans. Op een gegeven moment zat dat mannetje in een diep gat onder de grond tegen de bodem van de auto te tikken en er zo’n beetje aan te schudden, wat raar intiem voelde, want ik zat er zelf nog in, in die auto. We hadden ook walkietalkies om met elkaar te praten en hij riep dingen in mijn oor als: ‘En nu woest aan het stuur draaien. Nog woester. Nog woester! Stop! En nu heel zachtjes remmen… en nu keihard!’ Dat allemaal in plat Andalusisch en ik geloof dat hij al die dingen echt zei want ik draaide aan mijn stuur en remde zo hard ik kon en hij kwam niet onthutst naar boven rennen, wat ik wel steeds verwachtte.

Stickertje

En toen was er nog een fout in de papieren maar dat loste iemand ter plekke op en ik hoefde maar een uurtje te wachten totdat ik het felbegeerde stickertje kreeg: goedgekeurd! Ik hoefde niet eens, zoals vorig jaar, terug te komen voor nog zo’n ronde.
Daarvan werd ik zo blij dat ik op de terugweg, keihard meegillend met de flamenco-radio, alsnog verschrikkelijk verdwaalde in de mist. Maar dat vond ik niet eens erg.

Categorieën
Verhalen van de berg

Hallo wereld?

Hallo  wereld! Als je dat googlet krijg je van alles over baby’s en bevallen, maar ook: thema kinderboekenweek 2012, verhalen over andere culturen. Bijna elke dag mailt iemand mij wel enthousiast: ‘Heb je het thema al gezien? Daar moet je iets mee!’

Hallo wereld – dat snap ik. Dat denk ik de hele dag door. Het liefst zou ik geloof ik altijd onderweg zijn. Uren op een vliegveld hangen, jetlag, ontregeling, dat zijn allemaal dingen waar ik vrolijk van word. Lost in translation, mmm! Ik zou in een hotel aan het spoor kunnen wonen, denk ik, of in een stacaravan. En dan net op tijd weg voor het weer vertrouwd begint te worden. Kigali was spannender toen ik in een of ander vaag backpackershotel zat in het centrum dan toen ik er later weer terugkwam in de overzichtelijke ambassadewijk.

Zakdoek

Maar ja, die andere culturen… Daar word ik wel een beetje zenuwachtig van, schrijftechnisch gezien. Ook al spelen mijn boeken in Ierland, Spanje, Namibie, Senegal, Indonesie, Belize en Brazilie. En ook al gaat het dan soms over voodoo-achtige zaken, stierenvechten of carnaval. De hoofdpersoon is altijd een Nederlands kind dat daar, net als ik, vanaf een afstandje naar kijkt. Niet zoals Hans Hagen West Afrika beschrijft in Dans van de drummers. Lydia Rood Marokko. Of het Afrikaanse voetballertje van Lieneke Dijkzeul in Aan de bal.
In Vossenjacht heb ik een Turks meisje laten opdraven en dat vond ik al zo lastig dat ik mijn enige Turkse vriend heb ingeschakeld om proef te lezen. Klopte het wel allemaal wat ik over dat meisje zei? En, nee, het klopte niet! Dat meisje had op een gegeven moment een stoffen zakdoek. Onwaarschijnlijk, zei Volkan, Turkse meisjes zijn zo hygienisch, die zouden altijd een papieren zakdoekje pakken. Schrijven gaat over details, denk ik. En eigenlijk kan ik alleen maar goed schrijven over wat ik goed ken, mijn eigen ‘cultuur’.

Daarom denk ik niet dat ik ‘iets’  met de kinderboekenweek ga doen. Of eigenlijk heb ik er al wat mee gedaan. Gisteren. Want van al dat gedenk over andere culturen kreeg ik zo’n verpletterende zin om weg te gaan, dat ik 5 tickets heb geboekt: via Dubai naar Jakarta en dan zien we wel verder. Dag wereld! In juni gaan we – en dan ben ik heus wel weer op tijd terug voor de kinderboekenweek.