Het lijkt alweer lang geleden. Om het toch een beetje vast te houden, elders op deze site nog wat foto’s, namelijk hier: http://www.annavanpraag.nl/wie-is-anna/anna-in-rwanda/
Mijn goede vriend Sinterklaas
Een andere vriendin van mij is getrouwd met iemand die vandaag de populairste man van Nederland is. Toen mijn Ilco een tijdje geleden bij het Nobelprijscomité zat en weer eens in allerlei bladen stond, verzuchtte ze: ‘Jij met Ghandi en ik met Sinterklaas – wie had dat nou ooit kunnen denken?’
Niemand in Montefrio viert Sinterklaas. Niemand behalve wij en dat houden we stug vol. Met het fanatisme van de expat begin ik al weken tevoren speculaaskruiden en bruine suiker uit Nederland over te halen. Bloem en Chaia doen enorm hun best om Dunya, die nog maar weinig met Nederland heeft, het echte Sinterklaasgevoel bij te brengen. Ze moet de liedjes leren, de verhaaltjes lezen, het Sinterklaasjournaal kijken. Acht is ze nu – en niemand om haar uit de droom te halen. Hoe lang zal dat duren? Misschien wel de rest van haar leven.
De intocht (het woord alleen al) op tv is ook zo’n hoogtepunt. En dit jaar al helemaal, vanwege de man van mijn vriendin dus. Al weken is het hilarisch druk in hun gezin. Sinds bekend werd dat Stefan Bram van der Vlugt ging opvolgen, werd hij publiek bezit. De post die Stefan krijgt varieert van hatemail (omdat hij Bram niet is) tot schrijnende smeekbedes van zieke kindjes. Ook binnenskamers zijn er allemaal geweldige intriges (zoals bijvoorbeeld het raadsel van de verdwenen staf) die, als ze bekend zouden worden, het Sinterklaasjournaal zouden doen overkomen als TV West naast CNN.
Complot
Maar daar zit dus precies de crux: het wordt niet bekend. Zelfs tegen mij moet mijn vriendin regelmatig aandringen op geheimhouding. Ook dit weblog schrijf ik met lichte bezorgdheid: staat er niet teveel in? Verklap ik niet teveel aan argeloos meelezende kleuters? Het is toch een bizar complot, niet uit te leggen aan Spanjaarden of wie dan ook.
Hoewel, complot? Ben ik vanmorgen niet ook een beetje anders dan anders wakker geworden, en schrijf ik dit stukje niet onder invloed van de pepernotenwalm die door het hele huis hangt? Bovendien vind ik het helemaal niet raar om in Spanje te kijken naar een intocht in Nederland (vanuit Spanje) en dan vervolgens, met mijn meisjes, blij te zijn dat hij bij ons is aangekomen – ook al zijn wij hem nu feitelijk juist kwijt. Hij komt! Nee, niet Stefan. Sinterklaas.
En daar is ie weer: Anna’s jaarlijkse Sinterklaasactie
Wie een boek van mij cadeau geeft, krijgt daar gratis een gedicht van mij bij. Stuur zoveel mogelijk informatie over het kind (en welk boek) naar annavanpraag@hotmail.com en je ontvangt binnen 48 uur een passend gedicht in je mailbox.
Vliegen op mijn toetsenbord
Dit is geen goeie tijd voor verbindingen. Dat zeg ik niet, dat zegt mijn vriendin die alles weet van numerologie. Aromatherapie, dat kan ze ook. Dan komt ze langs met haar koffer met duizend geurtjes om je zintuigen en daarmee je leven weer in balans te krijgen. Hm, nu ik erover nadenk, ze zou nu met dat koffertje best even naar Spanje mogen komen…
Ik krijg de laatste tijd weer veel mailtjes van mensen die ook lange reizen gaan maken en die willen weten waar het mooiste strand, het makkelijkste visum, of de beste remedie tegen malaria te vinden is. En o wat wil ik daardoor zelf graag weer weg, vooral nu de winter is begonnen.
Ondertussen praat iedereen die ik hier tegenkom in het dorp alleen maar over olijven. Dat de kwaliteit niet zo goed is dit jaar en wat dat betekent en wanneer de oogst moet beginnen, vooral dat laatste, want vanaf dat moment is heel Montefrio ontregeld. Lege klassen, uitgeputte buren, lange files van olijfkarretjes op de weg.
Tussendoor zit ik dapper Roald Dahl te spelen: elke dag zes uur achter mijn bureau, ook als er niks uit mijn pen komt. Zo kan het gebeuren dat ik uren, reisdromerig, zit te staren naar een zoemerige groepsverkrachting van een kluwen vliegen op mijn toetsenbord. Ziehier de dynamiek van mijn leven.
Pythagoras
Maar goed, het is dus al best een tijdje rommelig in de kosmos. Rommeliger dan normaal. ‘Sluit geen contracten, in ieder geval niet tot 25 november’ waarschuwt mijn vriendin. En eigenlijk komt het pas in de zomer weer echt goed. Dat er nu zoveel mensen tobben met relaties of met werk – dat komt dus allemaal daardoor. Want dit geldt niet heus alleen voor mij, integendeel. Jullie zouden allemaal door een lastige tijd moeten gaan. Die numerologie is niet helemaal pseudo, Pythagoras ging er al vanuit dat alles wat we doen en laten in getallen is uit te drukken. Koop dus even geen huizen, plan geen huwelijken en teken niks, in ieder geval tot 25 november. Gewoon voor de zekerheid.
Anna een giraf
Terwijl ik nog steeds elke nacht droom van Afrika en geen letter op papier krijg, is er bijna per ongeluk een nieuw boek van mij verschenen. Zelf nog niks gezien, maar het schijnt nu in de winkels te liggen. Niet zomaar een boek, maar eentje in een serie over dierenredders (hard gelach van mijn vrienden: ‘Anna en dierenredden? Die kan amper een paar poezen aan.’)
Jan Paul Schutten, Bibi Dumon Tak, Karen Holst Pellekaan, Niels Rood, Anna Woltz… dat zijn pas dierenvrienden. Ik niet. Ook al heb ik stiekem al boeken over schorpioenen, ezels, stieren en olifanten geschreven. Waar komt dat dan vandaan – uit welke masochistische zijpaden van mijn verbeelding? Het is wel zo dat ik een leuker iemand ben als ik schrijf (ook in dit blog trouwens), en wellicht dan ook meer begaan met weerloze dieren – wie weet.
Maar goed, ik was van plan om reclame voor mijn nieuwe boek te maken vandaag, geen antireclame voor mezelf. Het boek heet dus Stop hou op en het ligt NU in de winkel. Over soepschildpadden gaat het en over een van mijn lievelingseilanden: een verlaten schildpaddeneiland bij Guinnee Bissau waar je alleen maar met een piepklein bootje over stormachtige oceaan kunt komen. Onderweg grote golven, onweer, een helletocht, maar daarna het paradijs in perfect picture moments. Maar vooral is dit boek het verhaal van drie eenzame kinderen die elk voor zich een beetje meer weerbaar worden. En natuurlijk is het spannend en ook nog eens een ideaal sinterklaascadeautje – voor wie wil maak ik er ook nog een passend gedicht bij (stuur zoveel mogelijk informatie over het kind naar annavanpraag@hotmail.com en binnen 48 uur heb je een gedicht terug, zelfde actie als vorig jaar).
WitVis
Eén jongen zal zeker heel erg blij zijn met dit boek. Hij heet Remco, is tien jaar en wil later een dierentuin beginnen. Al een tijdje schrijven we met elkaar en ik word altijd blij als er een mail van hem is. Remco schrijft bijvoorbeeld: ‘ Ik lees veel boeken van u omdat de meeste over dieren gaan, want ik wil later directeur van een dierentuin worden die WitVis heet. En ik vind uw boeken spannend en grappig.’ Ook mijn mooiste fanmail aller tijden komt van hem: ‘Vanwege uw boeken ga ik later een dier in de dierentuin noemen: Anna een giraf want dat is mijn lievelingsdier.’
Kijk, daar doe je het nou voor.
Wu wei
Ach, kan iemand me even dat Volkskrant-katern over melancholie opsturen? Want dat beschrijft precies hoe ik me nu voel, al is saudade het woord dat ik zelf zou kiezen.
Saudade: a “vague and constant desire for something that does not and probably cannot exist … a turning towards the past or towards the future”. Of, nog mooier en simpeler ook: ‘the love that remains’. Een woord om een hele taal om te willen leren.
Want daar zit ik dus weer in mijn eentje op de berg. Man op reis, kinderen naar school, en de hele berg gehuld in wolken. Dus de zomer is over. Dat was bij jullie al eeuwen zo, maar hier niet. Voor het eerst sinds tijden geen gasten, geen beddengoed aan de waslijn, geen uitpuilende koelkast. Rwanda lijkt nu alweer (te snel) lichtjaren verwijderd en, voor de verandering heb ik ook maanden geen scholen in Nederland die me hebben geboekt. Dit is het moment waar ik al heel lang naar heb uitgekeken: tijd om te schrijven! Maar ja, zo makkelijk gaat dat natuurlijk niet. Om te beginnen moeten de stilte en ik weer aan elkaar wennen. En dat de kat accute reuma heeft (de lievelingskat, heel erg), of dat het lekt als een douche bij de wasmachine omdat de regentijd is losgebarsten, of dat het ene kind naar sport en de volgende naar dansen en dan ook nog een of andere bonfire night in de campo…. Of dat mijn vriendinnen die mijn lifeline met de wereld zijn bijna allemaal ineens ernstige liefdesproblemen hebben… Daarvan moet ik allemaal ‘wu wei‘ denken van mijn man.
Dian Fossey
Wu wei. Ik wist het ook niet maar het is iets als meegaan met de stroom. Laten gaan, meebewegen, maar niet erin verstrikt raken. In dat soort dingen is mijn Ilco erg goed – en ik helemaal niet. Want nu wordt het ineens pikdonker en koud ook nog want de pittenman moet nog komen om de grote olijfoven aan te steken en ik mis Rwanda waar het eeuwig zomer is en waar ik even de illusie had de Dian Fossey van de Rwandese kinderboeken te zijn en ik durf nog niet mijn eigen Grote en Belangrijke verhaal te openen omdat ik bang ben dat het helemaal niet zo groot en belangrijk is als ik dacht en ik moet sowieso zwaar zoeken waar het ook alweer zat en ja hoor daar begint het weer te regenen en belt mijn moeder dat haar portemonnee is gerold en dat ze ‘medeleven van een kind’ nodig heeft en dan zijn er ook nog schrijfperikelen die ik helaas niet in dit weblog kan opschrijven en heb ik nog niet eens lippenstift op maar voor wie dan of toch gewoon voor mezelf en heb ik zeker meer koffie nodig en hele mooie saudade-muziek om die stomme stilte te breken en…
Wu wei. Wu wei. Wu wei.
Missing Rwanda
In a land of fantasy
Als ik in het vlieguig terug naar Spanje zit, ga ik heel diep zuchten. Of misschien wel heel hard huilen. Dat heb ik dezer dagen wel een paar keer gedacht. Ik vond het zo eng wat ik aan het doen was in Rwanda. Elk keer als ik weer ergens op een school was geweest, was ik alweer zenuwachtig voor de volgende.
En nu zit ik dus in dat vliegtuig terug. In de meest magische nacht van het jaar nog wel: samhain, heksennieuwjaar.
Ik blader door mijn opschrijfboekje. Zoveel flarden waar ik nog over na moet denken.
Er staat bijvoorbeeld wel drie keer: liegen. Omdat de Rwandezen dat zo goed kunnen. Dat zegt iedereen die met ze te maken heeft en zijzelf ook (ze zijn er tots op). Volgens mij heeft schrijven veel met liegen te maken. Maar ook juist met heel erg eerlijk zijn, hoe zit dat dan? Overigens had de Engelse directrice over wie ik het al eerder heb gehad (die van de ‘ kritisch-nadenken school’ er een simpel antwoord op: ‘Niet liegen. Je mag op mijn school ruzie met me maken, je mag zelfs naar me spugen, maar liegen niet. Dus dat doen de kinderen hier dan ook niet.’
Andere aantekening: Chiel. Een oude hippie die middenin de figuurlijke woestenij een enorme boekwinkel runt. En dat al jarenlang. Nooit eerder in dit deel van Afrika iets vergelijkbaars gezien. Een held!
Maar ook: bibliotheek. Een of ander Nederlands project: een van de scholen heeft een grote bibliotheek gekregen. Een zaal met hoge houten kasten, propvol boeken. In die kasten staan Engelstalige afdankers uit Nederlandse bibliotheken. Geen kinderboeken dus en ook geen klassiekers als Lord of the flies. Wat moeten Rwandese kinderen in Godsnaam met boeken als Fear of flying van Erica Young? Dat is net zoiets als zo’n school trots een doos afgekloven potloden komen geven (ook echt gebeurd).
Genocide. Het staat er een beetje plomp. Realiteit en startpunt voor iedereen die in Rwanda woont en werkt maar niet voor mij. Ik schrik gewoon heel erg als ik cijfers voorbij zie komen van een of ander VN-traumaonderzoek zoals dat 91% van de kinderen dacht dat hij dood zou gaan in de oorlog en 88% dode lichamen of stukken ervan gezien heeft. Denk daar een tijdje over na en alles begint te schuiven.
Residentie
De stewardess komt langs maar ik heb al gegeten: in de residentie van de ambassadeur (denk bij dat woord aan een soort modern kasteel met damast, kaarsen, overal personeel). Zat ik daar aan de lange tafel bij mensen die zich dagelijks bezighouden met het oppakken van oorlogsmisdadigers, creatief middelpunt te zijn. En ook dat kon ik ineens. ‘Dank je wel dat ik je had’ zei de ambassadeur en, zelfs een beetje spijtig: ‘Nu is het alweer voorbij.’ Maar we praten ook al stiekem over vervolgbezoeken.
Nu staar ik vanuit het vliegtuig de heksennacht in en denk: wil ik dat? Echt?
Er was absoluut iets magisch aan deze dagen. We konden elkaar lang niet altijd makkelijk verstaan (zelfs als ze Engels spreken, is het nog een lastige variant), maar de verhalen liggen in Rwanda heel dicht onder de oppervlakte. Vergelijk dat bijvoorbeeld met de Spaanse campokinderen: daar is het veel moeilijker om de fantasie te prikkelen. Misschien omdat het leven op het Spaanse platteland zo rustig en veilig is? De wereld van de kinderen in Rwanda is een en al kwetsbaarheid en onzekerheid. Toch (juist?) storten ze zich met een ontwapend soort gretigheid op alles wat met verbeelding en verhalen te maken heeft. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien, best vaak eigenlijk. Aan hoe ze naar mij en mijn boeken keken, aan de trillende stemmen als ze hun eigen verhalen voorlazen, soms bijna huilend, en aan hoe snel en makkelijk ze zich op mijn schrijfopdrachten stortten. Victory in a land of fantasy.
Nou ja, en als ik daar ben beland met mijn gedachten moet ik natuurlijk toch huilen. Ook omdat ik zo moe ben en een soort binnenstebuiten gekeerd, denk ik, maar daar trappen de halloweenheksen die nog steeds om het vliegtuig fladderen mooi niet in. Ook bij mij is iets veranderd; ik weet alleen nog niet precies wat.
De nieuwe feestzaal
Ging het ook nog een keer niet goed hier in Rwanda? Ja dus. Maar dat lag niet aan mij. En ook niet aan de kinderen.
We rijden Rwanda dieper en dieper in, over die duizend heuvels. Duizend geuren ook, van houtvuur tot gefrituurd eten en van Afrikaans zweet tot zoete bloemen. Langs de weg vrouwen met bonte kleren en van alles op hun hoofd, en heel veel kleine schattige kindjes die zwaaien en staren. Hallo Afrika, daar ben je weer!
De school ligt ergens aan een dirt road. Voorop gaat de auto van de ambassadeur die vandaag ook mee is – herkenbaar aan de gewichtige Nederlandvlaggetjes op de motorkap. Daarna ik in de nieuwste, glimmendste Landrover die ik ooit heb gezien. Door plassen en kuilen gaat het, aangestaard door honderden ogen. We raken de weg nog kwijt, wat een gedoe en gedraai geeft en nog veel meer starende ogen. Maar daar is dan toch de school die we zoeken. De directrice staat al op de uitkijk: een Britse dame in een Frans mantelpakje, foundation op de oude wangen, want deze vrouw is 78 jaar oud. Desondanks razendsnel stormt ze langs mij heen zonder enige begroeting vergrijpt zich zo’n beetje aan de ambassadeur.
Het is de eerste keer sinds mijn verblijf hier dat ik iemand het woord genocide hoor uitspreken, want ik hoor de directrice zeggen: ‘Dit is zeker geen eliteschool, maar juist een voor de wezen en allerarmsten en de slachtoffers van de genocide.’ Bovendien legt ze de ambassadeur uit dat dit een school is op humanitaire grondslag die kinderen leert zich kritisch op te stellen.
Zendmicrofoons
‘En dit is ie dan: onze nieuwe feestzaal.’ Trots wuift de directrice met de gemanicuurde handjes in het rond. ‘Er moet natuurlijk nog wel het een en ander aan gebeuren.’ De zaal is mooier dan wat ik hier op elke andere school heb gezien. Groot en licht en met een heus podium. Iemand komt op mij af met een zendmicrofoon. Kennelijk gaat ‘het’ hier plaatsvinden. Ik tel toch algauw zo’n tien andere microfoons, wat zijn ze van plan?
De directrice heet iedereen welkom, of eigenlijk vooral ‘ de special guest van de dag: de ambassadeur, helemaal uit Kigali overgekomen voor de opening van onze nieuwe zaal’ .
Dan moet ik op het podium gaan zitten, met een groepje geschrokken kinderen aan mijn voeten. In de enorme zaal zitten de ambassadeur, de directrice en nog een paar witten op de eerste rij. Daarna heel lang niets. Helemaal in de verte nog een aantal kinderen. Om het nog ongemakkelijker te maken loopt er ook nog een presentator tussen mij en de zaal heen en weer, die een groot talent blijkt te hebben voor het doodslaan van discussies en wiens enige opdracht het lijkt te zijn om strak binnen de tijd te blijven. Daar zit ik dan met die stomme microfoons die natuurlijk gaan piepen en zenders die ze vergeten uit te zetten, en totaal onvoorbereide kinderen die vooral onder de indruk zijn van alle techniek (er is een extra generator en 2 man gespecialiseerd audiopersoneel voor ingevlogen hoor ik later).
Special guest
Ik doe mijn best, laat ik het daar maar op houden. En de kinderen ook, hoewel elke interventie handig wordt onderschept door de pesentator (hoezo kinderen kritisch leren zijn?) ‘Zijn onze kinderen niet geweldig en knap en bijzonder’ kwezelt hij, net als we een beetje op gang beginnen te komen met een gesprek over een verhaal met twee eindes. ‘Laten we klappen voor onze kinderen, zo interessant allemaal. En nu gaan ze drummen.’
En ja, dan gaan de kinderen drummen en dansen op het nieuwe podium en dat is heel leuk – natuurlijk is het dat!
De ambassadeur (geen kwaad woord over deze man!) houdt nog een afsluitend praatje over ‘de echte special guest van vandaag en hoe bijzonder het is dat de kinderen kennis hebben kunnen maken met… en dat hij hoopt dat zoals in het sprookje dat Anna voorlas, de school net zoveel belang aan literatuur gaat hechten als aan drummen en dansen…’. Een lief en heldhaftig praatje.
Wat vervolgens geheel teniet wordt gedaan door de afsluitende woorden van de directrice (letterlijk): ‘Het spijt ons enorm dat onze zaal nog niet helemaal af was en dat de show van de kinderen ook nog niet echt goed was. Hopelijk komt u (en hier kijkt ze, als ze niet zo oud en respectabel was zou ik zeggen geil naar de ambassadeur) nog eens terug als dat wel allemaal op orde is.’
En ze stapt koket het podium af.
Ik ben een zwarte tuinman
Een avond voor Rwandese leraren… misschien heb ik hier wel het meest tegenop gezien. Want wie ben ik om hen iets te vertellen over verhalen en hoe je daarmee omgaat in de klas? Al die goedwillende westerse hulptroepen overal – alleen al hoe we het vliegtuig uitstapten: een en al extreem serieuze muizen op geitenwollen sokken. Rwanda, we komen je helpen! En ikzelf, met mijn dure jurkjes, ben ik niet ook gewoon een neokoloniaal met de beste bedoelingen? Zullen de leraren daar wel voor komen vandaag?
‘Niet als het keihard regent,’ is me voorspeld. Want de leraren hebben geen ambassade-auto ter beschikking. Die moeten gewoon met busjes, of zelfs lopen.
En ja, precies als ik al mijn spulletjes heb klaargezet, waait er een keiharde wind door de open ramen naar binnen. En barst de moesson los.
Diezelfde ochtend op een middelbare school waar ik de eerste lichting literatuurstudenten van Rwanda ga ontmoeten, staan we voor een dichte deur. Na een kwartier komt de directeur aanstormen: ‘Ik werd gebeld dat er twee witten voor me waren gekomen. Dat kan niet, zei ik. We hadden toch morgen pas afgesproken?’
Ik denk eigenlijk dat er weinig schrijvers zijn die zo snel kunnen schakelen als ik. Soms denk je een workshop van drie uur te hebben en dat blijkt dan drie kwartier en vice versa. Een andere keer verwacht je een klein groepje en krijg je er automatisch nog twee grote klassen bij. Ze verwachten je eerder, of later, of helemaal niet, ondanks alle voorbereiding.
Maar tot nu toe gaat het toch wonderbaarlijk goed. Ook vanochtend. Ondanks de idiote setting: de studenten wachten trots op mij in hun nieuwe, gesponsorde computerlokaal. Ik moet door een haag van apparatuur heen kijken voor ik ze zie. En wat ik zie, maakt me niet minder zenuwachtig. Ze zijn zo groot! Rwandese jongens en meisjes van achtttien jaar, dat zijn natuurlijk geen kinderen meer. Waar gaan we het over hebben?
Een sprookje. Een fantasie-oefening. Zullen ze gaan schrijven? Ja, ze doen het! Zelfs de directeur doet hartstochtelijk mee. En mooi ook nog, die verhalen. Helemaal niet exotisch ook. Verrassend: in alle verhalen die ik hoor, gaat het over eenzaamheid. Iemand die je zoekt, iemand die je vindt en weer weggaat, iemand die eigenlijk een engel blijkt te zijn… Wat betekent dat? Ach, had ik maar meer tijd om echt lang met ze te werken. Nu spreek ik ze moed in als ze met trillende handen staan voor te lezen en kijk steeds in van die zuigende ogen. Blijf schrijven, blijf schrijven! Je mag me altijd mailen. En weg ben ik weer.
Zinloosheid
En dan dus vanavond. Mijn vriend van de ambassade en ik kijken elkaar aan: drie leraren… ‘We wachten nog even,’ besluit de ambassademan. ‘Dan doe ik gewoon…’ begin ik alweer monter, maar ik baal toch.
Gelukkig, de deur zwaait open, daar is zomaar een voltallige staf van een school. En daar: nog een. Het duurt even maar dan doe ik voor een prima gevulde zaal een mini-versie van een Verhalenkasteel-training. De leraren zitten als gekken op te schrijven wat ik zeg, mee te knikken, weer die zuigende ogen. Blijft dit zo? Ik heb een noodprogramma voor als niemand wil reageren na de pauze. Maar nee, dat is niet eens nodig. Er ontstaat een enorm gesprek. Over ebooks, orale geschiedenis die verdwijnt en ook over de onzin van kinderboeken als niemand ze toch kan kopen. Of de zinloosheid van zelf boeken schrijven als er niet eens uitgevers zijn in Rwanda. Of over of de vraag of westerse boeken wel herkenbaar genoeg zijn. De enige witte vrouw in de zaal begint over ‘adapties maken’: boeken vervormen, bedoelt ze. Ik bijt op mijn tong: kop houden nu! En dan neemt gelukkig een jonge leraar het woord: ‘wat een onzin! We hebben toch ook internet en tv, we weten heus wel hoe het er daar uitziet. Die boeken kunnen wij heel goed lezen.’ ‘En er je eigen boeken aan toevoegen,’ mompel ik nog snel.
Het is al met al een eerlijk gesprek. Ik kom hier niet met een antwoord of met een pot met geld. Zelfs niet met mijn eigen boeken want die kunnen ze toch niet lezen. En ik voel me zoals de tuinmannen hier die het vele gras zaaien dat je ziet langs de bermen en bij de huizen van Kigali. Dat gebeurt niet met graszaad, zoals bij ons. Nee, elk grasveld wordt sprietje voor sprietje geplant, echt waar!
En dat gras is me toch mooi!
(Morgen de bush in.)
Bericht uit Rwanda
‘Enfants!’
De Belgische juf heeft aan een enkel woord genoeg. Precies tegelijk springen alle zwarte kinderen op en staan naast hun tafels. ‘Bonjour Anna van Praag,’ klinkt het in koor.
Anna is dus in Rwanda.
Of: ‘Kuifje in Afrika,’ zoals Ilco het liefdevol noemt.
Met een verpletterende koppijn begin ik aan de lange dag. Misschien door de malariapillen, misschien door de zenuwen, de Afrikaanse warmte… maar help, ik kan dit nu echt niet gebruiken. Niet ziek worden nu! Voordeel is natuurlijk wel dat die zenuwen vervolgens spontaan wegsmelten. Ik concentreer me het eerste deel van de dag vooral op het rechthouden van mijn hoofd.
Uren ben ik vandaag op de internationale school. Vijftien verschillende nationaliteiten in een klas – dat alleen al is een verhaal, vertel ik de kinderen. Later krijg ik briefjes mee: ‘Thank you for showing us how easy it is to become a writer’.’I learned that writing is a very good thing’. En ook: ‘The life of an author must be great’. Verder vinden ze het allemaal reuze ‘cool’ en ‘amazing’, dus daar krijg je de sterkste migraine wel mee weg.
Het komt spontaan weer terug bij een tv-interview in de enige boekwinkel. ‘Niemand van de kinderen hier kan een boek kopen,’ zegt de presentatrice. ‘Boeken zijn veel te duur.’ ‘Misschien kunnen de scholen… met ontwikkelingsgeld…’ hoor ik mezelf zwakjes stamelen.
Pal daarop beland ik voor een lunch in HET hotel van de film Hotel Rwanda. Ooit een gruwelijk kloppend hart van verzet in de oorlog, nu gewoon een fijn hotel met bananenbomen. Maar toch, dat zwembad is dus wel het zwembad dat honderden mensen het leven heeft gered toen ze het leegdronken tot de laatste druppel. Dat blijft toch raar. Net zo raar als dat iedereen hier doet alsof er niets aan de hand is geweest. Al die doden, al die massagraven: heb het er vooral niet over. ‘Het duurt drie generaties voordat mensen over zo’n oorlog echt kunnen praten,’ zegt mijn vader de psycholoog. Dat betekent dat pas de kinderen van de kinderen die ik nu lesgeef, die oorlog zullen gaan benoemen.
Schreeuwende juf
De school met de Belgische juf is anders dan de internationale school. Maar, hoewel ik me had gewapend voor doodse stilte, barsten ook hier de vragen los. ‘Heb je al over Rwanda geschreven?’ vraagt een jongetje. ‘Ik ken jullie verhalen nog niet echt,’ leg ik uit – want wat zijn nou twee korte bezoekjes in vier jaar. ‘Maar vertellen jullie mij die verhalen maar.’ Ik schrijf mijn email-adres op het bord, terwijl de klas opgewonden door elkaar begint te praten. Zelfs de juf , die in het begin nog zo eng streng was, schreeuwt nu het hardst van iedereen: ‘Ja, we gaan allemaal schrijven, kinderen!’
‘We moeten even wachten op stilte,’ zeg ik tegen een paar kinderen die braaf met hun vinger omhoog zitten te wachten tot hun juf eindelijk haar mond houdt. Het gaat goed, denk ik terwijl ik naar de rommelige klas kijk en mezelf vrolijk in verward Frans hoor meebrabbelen. Het is een begin – van wat dan ook. En dat voel ik vooral als de les is afgelopen en er een jongetje naar mij toekomt. Ik heb ook hier over Nooit meer lief verteld. Dat boek heeft al zo vaak zoveel teweeggebracht! Nu begint deze jongen zomaar, zonder me aan te kijken, een heel verhaal over ‘of het echt niet erg is dat je soms in je gedachten boos bent op iemand anders, bijvoorbeeld als die iemand die je kent heeft doodgemaakt.’ ‘Nee, dat is niet erg,’ zeg ik en wat ik wel vaker zeg: dat niemand nou eenmaal perfect is. ‘Nee,’ zegt hij opgelucht, ‘perfect zijn is ook maar saai.’ En dan knikt hij even en wandelt de klas uit. Nog even kijkt hij om: ‘Je t’ecrirai.’
Wordt vervolgd.





Laatste reacties